Herhaling: Grammatica zinsdelen t/m bwb

Vandaag
  • Heb je de kennis over grammatica zinsdelen herhaald en ken je:
    persoonsvorm, zinsdelen, alle werkwoorden, soort werkwoorden, onderwerp, werkwoordelijk gezegde, werkwoordelijk deel, lijdend voorwerp, naamwoordelijk deel, naamwoordelijk gezegde, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Vandaag
  • Heb je de kennis over grammatica zinsdelen herhaald en ken je:
    persoonsvorm, zinsdelen, alle werkwoorden, soort werkwoorden, onderwerp, werkwoordelijk gezegde, werkwoordelijk deel, lijdend voorwerp, naamwoordelijk deel, naamwoordelijk gezegde, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling

Slide 1 - Slide

Persoonsvorm
  • De persoonsvorm vind je door de zin van tijd te veranderen. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
  • De persoonsvorm is een zinsdeel. Voor de persoonsvorm kan maximaal 1 zinsdeel staan. De persoonsvorm kan ook aan het begin van de zin staan; dan staat er dus geen zinsdeel voor. 

Slide 2 - Slide

Zinsdelen
Een zin verdeel je volgens een aantal stappen in zinsdelen:
1. De persoonsvorm is 1 zinsdeel
2. Alles wat voor de persoonsvorm staat vormt 1 zinsdeel
3. Alle andere werkwoorden in de zin vormen samen 1 zinsdeel
4. Alle woorden die samen voor de persoonsvorm zouden kunnen staan, vormen samen 1 zinsdeel. 

Slide 3 - Slide

Aww (alle werkwoorden)
Bij aww noem je alle werkwoorden die in de zin staan. 

Slide 4 - Slide

Sleep alle werkwoorden naar 'werkwoorden' alles wat geen werkwoord is sleep je naar 'geen werkwoord'.
timer
0:45
Werkwoorden
Geen werkwoord
huis
goede bedoelingen
verhuizen
heb willen houden
zijn
zijn hond

Slide 5 - Drag question

Soort werkwoord
Alle werkwoorden in de zin moet je benoemen. Je kiest uit: hulpwerkwoord (hww), zelfstandig werkwoord (zww) of koppelwerkwoord (kww). 

Slide 6 - Slide

Regels bij soorten werkwoorden
  • Heb je 1 werkwoord in de zin, dan is dit werkwoord een zww of een kww.
  • Heb je 2 werkwoorden in de zin, dan is de pv altijd een hww, het andere werkwoord is een zww of een kww.
  • Heb je 3 of meer werkwoorden in de zin, dan is de pv altijd een hww. Het belangrijkste werkwoord is een zww of een kww. Het werkwoord of de werkwoorden die overblijven zijn allemaal hww.

Dus: Je hebt minimaal en maximaal 1 zww of 1 kww. Deze kunnen niet samen in 1 zin voorkomen. Je kunt wel meerdere hww's  in een zin hebben staan. 

Slide 7 - Slide

ZWW of KWW?
Om te bepalen of je een zww of een kww in de zin hebt, moet je een aantal stappen volgen:
1. Is het werkwoord 1 van de 9 mogelijke koppelwerkwoorden (zijn, worden, blijven, blijken,lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen)?
Nee> Het werkwoord is een zww
Ja > 2. Gaat het in de zin om een plaats (waar iemand/iets is) of om een eigenschap/kenmerk (wat iemand/iets is)?
plaats> Het werkwoord is een zww.
eigenschap/kenmerk > Het werkwoord is een kww.

Slide 8 - Slide

Heb je in de zin een kww of een zww?
Zo’n smartphone lijkt me voor reizigers bijzonder handig.
A
kww
B
zww

Slide 9 - Quiz

Heb je in de zin een kww of een zww?
Op de markt waren de jongens nephorloges aan het verkopen
A
kww
B
zww

Slide 10 - Quiz

Heb je in de zin een kww of een zww?Ik ben van de zomer in Amerika geweest
A
kww
B
zww

Slide 11 - Quiz

wwg of wwd?
Bij grammatica zinsdelen moet je aangeven of je een werkwoordelijk gezegde of een werkwoordelijk deel in de zin hebt. Dit bepaal je als volgt:
  • Als je een zww in de zin hebt, heb je een werkwoordelijk gezegde (wwg).
  • Als je een koppelwerkwoord in de zin hebt, heb je een werkwoordelijk deel. 

Slide 12 - Slide

wwg of wwd?
Zowel achter een wwg als achter een wwd vul je vervulgens in wat alle werkwoorden uit ze zin zijn. 

Slide 13 - Slide

Onderwerp
Het onderwerp van de tekst vind je door antwoord te geven op de vraag: wie/wat + pv? 

De persoonsvorm heb je al in een eerdere stap gevonden, dus dit vul je in in de vraag. 

Slide 14 - Slide

lijdend voorwerp of naamwoordelijk deel?

Bij grammatica zinsdelen moet je aangeven of er een lv of een nd in de zin staat. Dit doe je als volgt:
  • Als je een zww in de zin hebt staan, dan heb je ook een lijdend voorwerp. 
  • Als je een kww in de zin hebt staan, dan heb je ook een naamwoordelijk deel. 

Slide 15 - Slide

Dus:
zww --> Je geeft aan dat je een wwg en een lv hebt.

kww --> Je geeft aan dat je een wwd en een nd hebt. 

Slide 16 - Slide

Lijdend voorwerp en naamwoordelijk deel

Lijdend voorwerp --> wie/wat + pv + o + overige werkwoorden?

Naamwoordelijk deel --> wat + pv + o + overige werkwoorden?

Slide 17 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
Een naamwoordelijk gezegde heb je alleen bij een kww.
Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit het wwd en het nd.

Dus: nwg = wwd+nd

Heb je een zww dan heb je dus geen nwg.

Slide 18 - Slide

Meewerkend voorwerp
Een meewerkend voorwerp kan in een zin staan, maar dat hoeft niet.  Het meewerkend voorwerp (mv) kun je vinden door de volgende vraag te stellen: 
mv: aan/voor wie + wwg + ow + (lv)?

Let op: Het voorzetsel 'aan' of 'voor' kan bijna altijd worden weggelaten of toegevoegd bij het meewerkend voorwerp.

Slide 19 - Slide

Bijwoordelijke bepaling
Een bijwoordelijke bepaling (bwb) kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. Er kunnen ook meerdere bijwoordelijke bepalingen (bwb) in een zin staan.
Alles wat je overhoudt na het benoemen, noem je bwb. Bijwoordelijke bepalingen zijn vaak plaatsen of tijden, maar het kan van alles zijn.

Slide 20 - Slide

Oefenen
Ga naar it's learning
Ga naar het vak Nederlands, klik op planner en kijk vervolgens onder 'bronnen en activiteiten'. Klik op 'Herhalen grammatica zinsdelen P1 (als je dit nog niet gemaakt hebt)'. Maak de opdrachten. 
Heb je dit de vorige keer afgekregen maak dan de oefentoets. Deze lever je in via de inleverknop. De inleverknop staat bij volgende week

Slide 21 - Slide

Vandaag
  • Heb je de kennis over grammatica zinsdelen herhaald en ken je:
    persoonsvorm, zinsdelen, alle werkwoorden, soort werkwoorden, onderwerp, werkwoordelijk gezegde, werkwoordelijk deel, lijdend voorwerp, naamwoordelijk deel, naamwoordelijk gezegde, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling

Slide 22 - Slide

Wat vind jij nog lastig?

Slide 23 - Mind map