Grammatica: redekundig (WK 40 LES 2)

Welkom!

timer
10:00
Ga rustig zitten, pak je leesboek en start met lezen!
1 / 21
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Welkom!

timer
10:00
Ga rustig zitten, pak je leesboek en start met lezen!

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Wat gaan we doen?

- Terugblik (3')

- Lesdoelen doornemen (2')

- Instructie (8')

- Zelf aan de slag  (20')

   --> weektaak

- Evaluatie (5')

Slide 3 - Slide

Terugblik (3')

- Wat zijn de negen koppelwerkwoorden? 

- Wanneer is iets een koppelwerkwoord? 




Slide 4 - Slide

Naamwoordelijk gezegde
Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit twee delen:

  1. Werkwoordelijk deel (ww.deel) = alle ww in de zin
  2. Naamwoordelijk deel (nw. deel) = eigenschap van het onderwerp (vaak een znw of bnw)


Slide 5 - Slide

Lesdoelen
Aan het eind van deze les...
  • ...kun je het naamwoordelijk gezegde in een benoemen.
  • ...kun je een voorzetselvoorwerp in een zin met een naamwoordelijk gezegde benoemen.

Slide 6 - Slide

WWG
Morgen | zal | de zon | volgens de nieuwe weervrouw | niet |schijnen.

Wwg = zal schijnen
Ond = de zon
Bwb = morgen, volgens de nieuwe weervrouw, niet
--------------------------
Bvb = nieuwe --> weervrouw

NWG
Engels schijnt voor liedteksten een betere taal te zijn.

Nwg = schijnt een betere taal te zijn
Ond = Engels
Bwb = voor liedteksten
----------------------------------
Bvb = betere --> taal


Slide 7 - Slide

Een nwg met een vzv
Een naamwoordelijk gezegde kan in combinatie met een voorzetselvoorwerp voorkomen.

Madita |  is dol | op haar zoontje.
Ond          nwg               vzv

Slide 8 - Slide

Hoe zat het ook alweer?

Een voorzetselvoorwerp (vzv):

- begint met een voorzetsel (in, op, tijdens, na etc.)

- het voorzetsel kun je niet vervangen door een ander voorzetsel

- het voorzetsel hoort bij een vast werkwoord

- heeft vaak een figuurlijke betekenis


Bijv.: verlangen naar,  vertrouwen op,  reageren op, bang zijn voor etc.

--> Mijn broertje is ontzettend bang voor spinnen. 


Slide 9 - Slide

Voorbeelden nwg met vzv

Zij is erg nieuwsgierig naar de uitslag.

De president is verantwoordelijk voor zijn eigen campagne.

Slide 10 - Slide

De blauwe trui van Jim is gekrompen.

Is = een
A
HWW
B
KWW
C
ZWW

Slide 11 - Quiz

De blauwe trui van Jim is gekrompen.

Gekrompen = een
A
HWW
B
KWW
C
ZWW

Slide 12 - Quiz

Bij welk zelfstandig naamwoord hoort 'blauw'.
'De kleur van de trui van Jim is blauw'.
A
bij trui
B
bij Jim
C
bij kleur

Slide 13 - Quiz

Wat is de woordsoort van blauw

De kleur van de trui van Jim is blauw


A
bnw
B
znw
C
kww
D
hww

Slide 14 - Quiz

De kleur van de trui is blauw.

is = een
A
HWW
B
KWW
C
ZWW

Slide 15 - Quiz

Bij welk zelfstandig naamwoord hoort 'blauwe'.
'De blauwe trui van Jim is gekrompen'.
A
bij trui
B
bij Jim
C
bij gekrompen

Slide 16 - Quiz

Wat is de woordsoort van blauwe

De blauwe trui van Jim is gekrompen
A
bnw
B
znw
C
kww
D
hww

Slide 17 - Quiz

De kleur van de trui is blauw.

is = een
A
HWW
B
KWW
C
ZWW

Slide 18 - Quiz

Die appel is echt rot.

is = een
A
HWW
B
KWW
C
ZWW

Slide 19 - Quiz

Wat is de woordsoort van rot

'Die appel is echt rot'.


A
bnw
B
znw
C
kww
D
hww

Slide 20 - Quiz

Bij welk zelfstandig naamwoord hoort 'rotte'.
'Deze appel heeft rotte plekken'.
A
bij appel
B
bij plekken

Slide 21 - Quiz