VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Mondiale macht
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Mondiale macht
Examenstof maatschappijwetenschappen vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: C4 (12.1 t/m 12.6). Image credit: Ermell / Wikimedia Commons, CC0
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Wat ga je kunnen?
Ik kan het ontstaan van het statensysteem, veranderingen in mondiale machtsverhoudingen, culturele gevolgen van globalisering, internationaal recht en theorieën over (onder)ontwikkeling beschrijven en toepassen.
This item has no instructions
Welke landen en organisaties hebben volgens jou macht in de wereld, en waarom?
Laat leerlingen woorden inbrengen. Verwachte woorden: VS, China, India, EU, VN, multinationals, ngo's, leger, economie. Groepeer op het bord in staten en niet-staten en laat zien dat de lijst straks uitgebreid wordt. Blok 1 gaat over het statensysteem en opkomende staten (12.1, 12.2.1), blok 2 over fragiele staten en niet-statelijke spelers (12.2.2, 12.2.3), blok 3 over culturele gevolgen en nieuwe problemen (12.3, 12.4) en blok 4 over internationaal recht en ontwikkelingstheorieën (12.5, 12.6). Machtsbronnen, hegemonie en machtsevenwicht zijn al behandeld in de les Macht en gezag; conflict en samenwerking komen in een aparte les aan bod.
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Staat en soevereiniteit
Staten zijn geen natuurlijk gegeven: ze zijn door mensen bedacht en gevormd.
Interne soevereiniteit: hoogste centrale gezag binnen de landsgrenzen, via geweldsmonopolie en belastingheffing.
Externe soevereiniteit: andere staten erkennen dat gezag over de inwoners van dat territorium.
Het statensysteem is de regeling van de onderlinge verhoudingen tussen staten.
Syllabus 12.1: een staat impliceert interne en externe soevereiniteit. Intern: het hoogste centrale gezag over een bevolking binnen landsgrenzen via het monopolie op het uitoefenen van geweld en het innen van belastingen. Extern: de erkenning van dat gezag door andere staten. Veelgemaakte fout: de twee verwisselen. Intern gaat over gezag binnen de grenzen, extern over erkenning van buiten.
Eedaflegging bij de Vrede van Münster, 1648 (schilderij)
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Het statensysteem ontstaat en verspreidt zich
Het statensysteem is het resultaat van staatsvorming in West-Europa vanaf de late middeleeuwen.
Halverwege de 17de eeuw ontstond het moderne systeem, met het non-interventiebeginsel in interne zaken.
Europese machten verdeelden de rest van de wereld als koloniën, dus juist niet als staten.
Pas na de koloniale overheersing ontstonden elders staten; nu is vrijwel alle land in staten verdeeld.
Syllabus 12.1: het moderne statensysteem ontstond halverwege de 17de eeuw in West-Europa en spreidde zich via de koloniale tussenstap uit over de wereld. Japan was een uitzondering op de Europese kolonisatie. De wereldzeeën vallen voor het overgrote deel buiten de staatsindeling. De foto toont de eedaflegging bij de Vrede van Münster in 1648, uit dezelfde tijd. Veelgemaakte fout: denken dat staten er altijd waren, of dat koloniën al staten waren. Image credit: Gerard ter Borch / Wikimedia Commons, publiek domein
De skyline van Pudong in Shanghai, China
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Opkomende staten en machtsverschuiving
Opkomende economieën, vooral China en India, worden belangrijker.
Dat gaat ten koste van de machtspositie van de VS en Europa.
Het gaat samen met de roep om een andere samenstelling van de VN-Veiligheidsraad.
De huidige samenstelling weerspiegelt de politieke verhoudingen van 1945.
Syllabus 12.2.1: mondiale machtsverhoudingen verschuiven. De nieuwe spanningen binnen Europa (noord/zuid, west/oost) horen bij 13.2.2 en worden hier niet behandeld. Veelgemaakte fout: denken dat Europa en de VS verdwijnen als machten. De syllabus spreekt van een verschuiving, niet van verdwijnen. Image credit: Ermell / Wikimedia Commons, CC0
Wat is externe soevereiniteit?
Het hoogste gezag binnen de landsgrenzen
Het recht om in te grijpen in buurlanden
Erkenning van het hoogste gezag door andere staten
De regeling van de verhoudingen tussen staten
Syllabus 12.1: externe soevereiniteit is de erkenning door andere staten. Verwachte fout: het hoogste gezag binnen de grenzen kiezen, dat is interne soevereiniteit.
Zet op volgorde, van vroeg naar laat
Syllabus 12.1: staatsvorming vanaf de late middeleeuwen, modern statensysteem halverwege de 17de eeuw, daarna kolonisatie en pas na de koloniale overheersing staten elders. Verwachte fout: koloniën vóór het moderne statensysteem plaatsen.
Straat in Mogadishu, Somalië
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Fragiele staten: kenmerken
Een fragiele of falende staat kan (grote delen van) zijn grondgebied niet beheersen.
Het feitelijke verlies van het geweldsmonopolie is het meest fundamentele kenmerk.
De interne rechtsorde en de veiligheid van burgers zijn niet te garanderen.
Ook openbare diensten kunnen niet meer worden geleverd.
Syllabus 12.2.2: een fragiele of falende staat heeft het geweldsmonopolie (deels) verloren, kan de interne rechtsorde niet handhaven en geen openbare diensten leveren. De foto toont een straat in Mogadishu, de hoofdstad van Somalië, een land dat vaak in verband met fragiliteit wordt genoemd. Bespreek dat een fragiele staat niet betekent dat er geen dagelijks leven is. Veelgemaakte fout: fragiel gelijkstellen aan arm of aan autoritair. Het kenmerk is het verlies van het geweldsmonopolie. Image credit: Atmis Somalia / Wikimedia Commons, CC0
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Fragiele staten: oorzaken en gevolgen
Instituties en grenzen zijn van bovenaf opgelegd, zoals bij postkoloniale staten met door westerse landen geïntroduceerde instituties.
Geen scheiding van machten (trias politica): machtsmisbruik, geen onafhankelijke rechter, geen professionele bureaucratie.
Sponsoring door Oost of West tijdens de Koude Oorlog viel weg, waarna het geweldsmonopolie niet te handhaven was.
Door globalisering een bedreiging buiten de regio: toevluchtsoord voor criminele organisaties, terroristische netwerken en bron van vluchtelingenstromen.
Het begrip is omstreden: sociaalconstructivisten zien het als machtsuitoefening, want het maakt interventie legitiem.
Syllabus 12.2.2: staten zijn zwak door een combinatie van interne en externe factoren. De term kwam op in de jaren negentig, kort na de val van de Berlijnse Muur. Vanuit het sociaalconstructivisme is het gebruik van de term een vorm van machtsuitoefening, omdat (militaire) interventie legitiem wordt nu het non-interventiebeginsel zijn onaantastbaarheid heeft verloren (zie 12.5). Veelgemaakte fout: de oorzaken alleen intern zoeken. Ook de wereldhandel, die vaak eenzijdig is en zwakke staten weinig voordeel brengt, speelt mee.
Containerterminal op de Maasvlakte bij Rotterdam
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Niet-statelijke spelers in de wereldpolitiek
Wereldpolitiek wordt niet meer alleen door staten bepaald.
Andere spelers: multinationale bedrijven, internationale ngo's en intergouvernementele organisaties.
Sommige multinationals hebben grotere inkomsten dan het bruto nationaal product van veel landen.
Landen willen bedrijven om werk en belastinginkomsten en maken hun vestigingsklimaat aantrekkelijk.
Syllabus 12.2.3: multinationale bedrijven slagen er vaak in hun belangen te realiseren zonder hun macht zichtbaar uit te spelen. Regeringen krijgen met wetgeving vrijwel geen greep omdat bedrijven hun productie verplaatsen naar landen met de minst nadelige eisen; de concurrentie tussen landen werkt in het voordeel van de bedrijven. De foto toont een containerterminal: knooppunt van de wereldhandel. Veelgemaakte fout: denken dat alleen staten en de VN spelers zijn. Image credit: Spielvogel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Wat is het meest fundamentele kenmerk van een fragiele staat?
Het feitelijke verlies van het geweldsmonopolie
Een lage economische groei
Een autoritaire regering
Het ontbreken van internationale erkenning
Syllabus 12.2.2. Verwachte fout: lage economische groei kiezen. Dat kan meespelen, maar is niet het kenmerk.
Vul in
Landen willen bedrijven binnen hun grenzen houden vanwege werkgelegenheid en belastinginkomsten. Daarom richten ze hun vestigingsklimaat aantrekkelijk in.
Syllabus 12.2.3: landen hebben belang bij grote bedrijven vanwege werkgelegenheid, een goed draaiende economie en belastinginkomsten en concurreren daarom via het vestigingsklimaat.
Betoging tegen de WTO-top in Seattle, 1999
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Culturele gevolgen van globalisering
Na de Koude Oorlog leek een wereldwijde hegemonie van de westerse cultuur te ontstaan.
Westerse producten, ambities en denkbeelden drongen verder door in andere culturen.
De processen zijn complexer geworden: verzet tegen de neoliberale wereldorde en moderne westerse cultuur.
Nieuwe tegenstellingen: traditie tegenover moderniteit en populisme tegenover traditionele politiek, ook binnen staten.
Syllabus 12.3: na het einde van de Koude Oorlog en met de revolutie in communicatietechnologie leek de westerse cultuur wereldwijd te gaan overheersen. Inmiddels zijn de processen complexer, onder meer door de groeiende macht van China, de financiële crisis van 2008 en verzet tegen de neoliberale wereldorde. De foto toont een betoging tegen de WTO-top in Seattle in 1999, een voorbeeld van verzet. Veelgemaakte fout: denken dat de tegenstellingen alleen tussen landen lopen. De syllabus noemt ze ook binnen staten. Image credit: Carwil / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Cultuurrelativisme en cultureel universalisme
Een tegenstelling tussen winnaars en verliezers van globalisering valt sterk samen met die tussen hoog- en laagopgeleiden.
Cultuurrelativisme: culturen alleen relatief ten opzichte van elkaar beoordelen, vanuit hun eigen culturele context.
Cultureel universalisme: gedrag beoordelen vanuit universele normen die voor alle wereldburgers gelden.
Buiten het Westen wordt een beroep op universele waarden vaak gezien als het opleggen van westerse waarden.
Ook traditionele culturen doen een beroep op universele waarden; een strikte uitleg van religie kan fundamentalisme worden.
Syllabus 12.3: de tegenstelling winnaars/verliezers speelt bij thema's als integratie, immigratie en Europese eenwording. Cultuurrelativisme en cultureel universalisme zijn gekoppeld aan culturele tegenstellingen (zie ook 17.4). Vanuit het universalisme moet worden opgetreden tegen schending van universele normen; critici zien dat soms als voorwendsel van westerse staten om de soevereiniteit te schenden. Fundamentalisme kan in extreme gevallen leiden tot gewelddadig verzet of terrorisme. Presenteer beide opvattingen gelijkwaardig. Veelgemaakte fout: universalisme gelijkstellen aan westers en relativisme aan niet-westers.
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Nieuwe problemen, nieuwe structuren?
Een groeiende wereldbevolking belast het milieu steeds meer en heeft meer energie en grondstoffen nodig.
Opkomende economieën gaan meepraten vanuit een andere culturele achtergrond.
Interne en externe veiligheid zijn verweven: grondstoffenschaarste, terrorisme, georganiseerde misdaad, illegale immigratie, drugshandel.
De VN heeft moeite met consensus over collectieve veiligheid: autoriteit en geloofwaardigheid staan onder druk.
Samenwerking tussen regeringen, bedrijven en ngo's, en grote mogendheden in informele verbanden zoals de G20.
Syllabus 12.4: globalisering zet door in steeds meer gebieden. Afrika liberaliseert en integreert in de wereldeconomie, met een groeiende middenklasse in sommige landen, maar ook armoede, ongelijkheid, zwakke staten en interne conflicten. Er is een nauwe verwevenheid tussen ontwikkelingssamenwerking en veiligheid. Grote en diverse belangen kunnen tot ernstige conflicten leiden (zie de les Conflicten en samenwerking). Veelgemaakte fout: problemen als lokaal zien. In een geglobaliseerde wereld is de scheiding tussen binnen en buiten vervaagd.
Een antropoloog beoordeelt een gebruik alleen vanuit de eigen culturele context van de groep. Welke opvatting?
Cultureel universalisme
Fundamentalisme
Hegemonie van de westerse cultuur
Cultuurrelativisme
Syllabus 12.3. Verwachte fout: cultureel universalisme kiezen. Dat beoordeelt vanuit universele normen.
Vul in
Volgens het cultureel universalisme gelden er universele normen voor alle wereldburgers, waartegen misstanden kunnen worden aangepakt.
Syllabus 12.3: cultureel universalisme beoordeelt gedrag vanuit universele normen voor alle wereldburgers.
De zaal van de VN-Veiligheidsraad in New York
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Internationaal recht en soevereiniteit
Internationaal recht is gebaseerd op soevereiniteit: staten moeten zelf instemmen met de regels.
Beperking: individuen kunnen zich beroepen op internationaal recht en kunnen worden aangeklaagd.
Beperking: de VN-Veiligheidsraad staat soms geweld toe en het non-interventiebeginsel is niet onaantastbaar.
Geschillen tussen staten beslecht o.a. het Internationaal Gerechtshof of het Europese Hof van Justitie.
Syllabus 12.5: handhaven is in het internationaal recht minder gemakkelijk dan binnen een staat, maar de regels hebben wel betekenis. Het besluit om lid te worden van het Internationaal Strafhof of de rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof te aanvaarden heeft effecten voor staten. Internationale organisaties zoals de EU en de VN nemen steeds meer wetgevende en regulerende taken over. De Veiligheidsraad kan een burgeroorlog of vluchtelingenstroom beschouwen als bedreiging van de internationale vrede en veiligheid, wat ingrijpen mogelijk maakt. In de realiteit kunnen individuen weinig doen tegen kwaadwillende overheden. Veelgemaakte fout: denken dat internationaal recht geen betekenis heeft omdat handhaving lastig is. Image credit: Jdforrester / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Evolutionistische theorieën
Twee groepen theorieën verklaren verschillen tussen rijke en arme landen: evolutionistische en afhankelijkheidstheorieën.
Evolutionistische theorie: staten ontwikkelen zich geleidelijk; arme staten moeten de weg van rijke staten nog afleggen.
Onderontwikkeling is een fase achterlopen; tradities maken groei lastiger doordat marktwerking en handel geen kans krijgen.
Moderniseren van bestuur, opleiding en infrastructuur laat de economie volwassen worden en maakt massaconsumptie mogelijk.
Ze komen deels uit het functionalisme en sluiten vaak aan bij liberale theorieën over het gedrag van staten.
Syllabus 12.6: sommige evolutionistische theorieën komen voort uit het functionalisme-paradigma, andere niet. Verschillen binnen arme landen zijn volgens deze theorieën een kenmerk van een fase in de ontwikkeling en verdwijnen als de traditionele economie is getransformeerd in een moderne markteconomie. Veelgemaakte fout: onderontwikkeling zien als iets wat arme landen zichzelf aandoen zonder verband met anderen. Dat is het evolutionistische beeld, de afhankelijkheidstheorie denkt daar anders over.
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Afhankelijkheidstheorieën
Afhankelijkheidstheorie: vanuit het conflictparadigma wordt onderontwikkeling verklaard uit scheve machtsverhoudingen.
Rijkdom is mogelijk door de armoede van anderen, met koloniale naweeën, een lucratieve ruilvoet en protectionistische maatregelen.
Andere varianten zien een wereldomvattend sociaal systeem van kapitaalaccumulatie in plaats van staten als actoren.
Binnen arme landen: een elite die baat heeft bij ongelijke ruil houdt de afhankelijkheid in stand.
Syllabus 12.6: afhankelijkheidstheorieën borduren vaak voort op marxistische theorieën. Rijke staten beschermen hun binnenlandse markt met protectionistische maatregelen. Binnen arme landen is er ook grote ongelijkheid: tussen elite en armen, tussen regio's, etnische groepen en tussen mannen en vrouwen. Afhankelijkheidstheorieën zien de ongelijkheid binnen arme landen als effect van kapitalistische verhoudingen; evolutionistische theorieën als een fase die verdwijnt. Veelgemaakte fout: de twee theorieën aan de verkeerde paradigma's koppelen. Afhankelijkheid hoort bij het conflictparadigma, evolutionisme soms bij het functionalisme.
Land K is arm en moet volgens een rapport nog moderniseren, zoals rijke landen eerder deden. Welke theorie?
Afhankelijkheidstheorie
Evolutionistische theorie
Cultuurrelativisme
Theorie van het machtsevenwicht
Syllabus 12.6. Verwachte fout: afhankelijkheidstheorie. Die zoekt de oorzaak in scheve machtsverhoudingen, niet in een fase achterlopen.
Waarom kan de VN soms ingrijpen in een land?
Goed antwoord: de Veiligheidsraad kan geweld toestaan om humanitaire redenen of een burgeroorlog of vluchtelingenstroom zien als bedreiging van de internationale vrede en veiligheid, want het non-interventiebeginsel is niet onaantastbaar. Verwachte fout: zeggen dat de VN een wereldregering is. Syllabus 12.5.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Statensysteem en soevereiniteit
Fragiele staten en niet-statelijke spelers
Cultuurrelativisme en universalisme
Evolutionistische en afhankelijkheidstheorie
Gebruik de uitslag om les 2 te starten: begin bij het onderdeel dat de meeste stemmen krijgt.
Hoe verandert globalisering de macht van staten?
Goed antwoord: noem minstens een voorbeeld, zoals multinationals die landen laten concurreren, fragiele staten die gevoelig zijn voor invloeden van buiten, opkomende economieën of internationale organisaties die taken overnemen. Verwachte fout: alleen zeggen dat staten verdwijnen. Syllabus 12.2 en 12.5.
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Begrippen (1/2)
statensysteem: de regeling van de onderlinge verhoudingen tussen staten
interne en externe soevereiniteit: het hoogste centrale gezag binnen de grenzen, en de erkenning daarvan door andere staten
fragiele staat: een staat die het geweldsmonopolie (deels) heeft verloren en geen veiligheid en openbare diensten kan garanderen
niet-statelijke spelers: multinationale bedrijven, internationale ngo's en intergouvernementele organisaties
cultuurrelativisme: culturen alleen relatief ten opzichte van elkaar beoordelen, vanuit hun eigen context
This item has no instructions
VERHOUDING · MONDIALE MACHT
Begrippen (2/2)
cultureel universalisme: gedrag beoordelen vanuit universele normen voor alle wereldburgers
non-interventiebeginsel: het principe dat buitenlanders zich niet mengen in de interne zaken van een staat
internationaal recht: recht gebaseerd op soevereiniteit: staten moeten zelf instemmen met de regels
evolutionistische theorie: onderontwikkeling is een fase achterlopen; arme staten moeten nog moderniseren
afhankelijkheidstheorie: onderontwikkeling komt voort uit scheve machtsverhoudingen tussen landen
This item has no instructions