Unit 2: Hoe voel je je?

Unit 2: Hoe voel jij je?
1 / 16
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 16 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Unit 2: Hoe voel jij je?

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Lesson plan: 21 November
1. Getting started with the unit
- Unit about health 
- Vocabulary: Het lichaam
- Quizlet list 

2. Introduction exercises: Ziek zijn

Unit 2: How are you feeling?

Slide 3 - Slide

Getting started with the unit...
Before we start with the unit...
1. Make a new folder in your Dutch B folder with the name : Unit 2 - Hoe voel je je?

2. Make sure there is already 1 Google Document in the folder: 
-  'Classwork' --> Document for little tasks we do in the lesson 

3. Quizlet: New vocabulary list: Het lichaam

Slide 4 - Slide

Lesson plan
1. Vocabulary: Het lichaam (rehearsal) 

2. Grammar: Personal pronoun as an object 
- Exercise 6 
- Extra exercises: Managebac

Unit 2: How are you feeling?

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Lesson plan
1. Grammar: Personal pronoun as an object 
- Extra exercises: Managebac

2. Vocabulary booklet day 1 

Unit 2: How are you feeling?

Slide 7 - Slide

Lesson plan
1. Ziek zijn: Extra oefeningen

Unit 4: How are you feeling?

Doel: Ik kan tegen de dokter zeggen waar ik pijn heb.

Slide 8 - Slide

Lesson plan
1. Grammar: Personal pronoun as an object 
- Extra exercises: Managebac
--> Correction 

2. Vocabulary booklet day 1 (Finish)

Unit 2: How are you feeling?

Slide 9 - Slide

Lesson plan: 19 December
1. Grammar: Reflexive pronouns
--> Exercise 14 - 15 - 16

2. Extra grammar exercises
 

Unit 4: How are you feeling?

Doel: Ik kan tegen de dokter zeggen waar ik pijn heb.

Slide 10 - Slide

Reflexive pronouns: English - Dutch
He hit himself with a tennis racket                                       Zij wast zich in de douche 
She cut herself with a knife                                                      Ik voel me niet goed








(!) aankleden - uitkleden --> Ik kleed me 's morgens aan / Ik kleed me 's avonds uit. 
SINGULAR (1 PERSON)

myself – me / mezelf
yourself – je / jezelf
herself – zich / zichzelf
himself – zich / zichzelf
itself – zich / zichzelf
PLURAL (MORE THAN 1 PERSON)

ourselves – ons / onszelf
yourselves – je / jezelf
themselves – zich / zichzelf

Slide 11 - Slide

Lesson plan: 11 January
1. Preparation Reading Summative: Exercise

2. Correction exercises (Vocabulary booklet + Unit booklet)

Unit 2: How are you feeling?

Doel: Ik kan tegen de dokter zeggen waar ik pijn heb.

Slide 12 - Slide

Lesson plan: 16 January 
1. Lichaamsdelen 

2. Liedje: 'Ik heb pijn'
- Listening exercise
- Exercises with new vocabulary

3. Speaking Dialogue with the doctor

Unit 2: How are you feeling?

Doel: Ik kan tegen de dokter zeggen waar ik pijn heb.

Slide 13 - Slide

Lichaamsdelen

Slide 14 - Mind map

Slide 15 - Slide

Speaking task: Going to the doctor
Situatie: Je hoest al een paar dagen heel veel en je hebt keelpijn. Je gaat naar de dokter. Maak met een klasgenoot een dialoog. Een van jullie is de patiënt, de ander is de dokter. De volgende delen moeten in de dialoog zitten:
- Binnenkomen bij de dokter
- Vertellen wat de klachten zijn
- De klachten onderzoeken door de dokter
- De diagnose
- Het advies
- Vragen stellen over het advies
- Afsluiting
De dialoog is minimaal 15 zinnen lang. 

Slide 16 - Slide