This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slide.
Lesson duration is: 30 min
Report this lesson
Items in this lesson
Oefenen H 1 tm 4 elementair BE
Slide 1 - Slide
Een fabriek is onderdeel van de ?
A
Primaire sector
B
Secundaire sector
C
Tertiaire sector
D
Quartaire sector
Slide 2 - Quiz
Als je werkt op de financiële afdeling van een ziekenhuis dan werk je in de
A
Primaire sector
B
Secundaire sector
C
Tertiaire sector
D
Quartaire sector
Slide 3 - Quiz
Als je in de zomer als bijbaantje gaat aardbeien plukken bij een tuinder. Volgens welk beloning stelsel zal je zeer waarschijnlijk worden betaald?
A
tijdloon
B
stukloon
C
premieloon
D
geen enkele
Slide 4 - Quiz
De werknemer krijgt een combinatie van tijdloon en stukloon. Hoe noemen we dit loonstelsel?
A
Gratificatie.
B
Premieloon
C
Combinatieloon
D
Prestatieloon
Slide 5 - Quiz
grondstof, zichtbaar aanwezig in een eindprodukt is
A
brutoverbruik
B
afval
C
verspilling
D
nettoverbruik
Slide 6 - Quiz
brutoverbruik − afval = nettoverbruik
A
Juist
B
Onjuist
Slide 7 - Quiz
Het nettoverbruik is hoger dan / even groot als / lager dan het brutoverbruik als de kosten van afval even groot zijn als de opbrengsten ervan.
A
hoger dan
B
even groot als
C
lager dan
Slide 8 - Quiz
De grondstofkosten van een product bedragen € 120. Deze grondstof kost € 30 per kg. Welke stelling klopt?
A
Het brutoverbruik is € 4 per kg.
B
Het nettoverbruik is € 4 per kg.
C
Het afval is € 4 per kg.
Slide 9 - Quiz
Gegeven De liquide middelen zijn op 1 juli € 1.022. De ontvangsten in juli waren € 2.375. De uitgaven in juli waren € 1.875. Gevraagd Bereken het saldo Liquide middelen op 31 juli.
A
€ 500
B
€ 1.022
C
€ 1.522
D
€ 522
Slide 10 - Quiz
Gegeven De liquide middelen zijn op 1 juli € 13.022. De ontvangsten in juli waren € 82.375. De opbrengsten in juli waren € 67.525. De uitgaven in juli waren € 73.875. Gevraagd Bereken het saldo Liquide middelen op 31 juli.
A
€ 4.522
B
€ 21.522
C
€ 89.047
D
€ 13.500
Slide 11 - Quiz
Bas werkt bij een marketingbureau. Hij verdient bruto € 2.000 per maand. Hij krijgt een reiskostenvergoeding van € 60 per maand. Cas betaalt aan loonheffing € 300 per maand. Hij heeft recht op 8% vakantiegelduitkering. Hoeveel is het bruto jaarinkomen?
A
€ 22.032
B
€ 22.809,60
C
€ 24.000
D
€ 25.920
Slide 12 - Quiz
Bas werkt bij een marketingbureau. Hij verdient bruto € 2.000 per maand. Hij krijgt een reiskostenvergoeding van € 60 per maand. Cas betaalt aan loonheffing € 300 per maand. Hij heeft recht op 8% vakantiegelduitkering. Hoeveel is het nettoloon per maand?
A
€ 1.640
B
€ 1.760
C
€ 1.700
D
€ 2.160
Slide 13 - Quiz
Bas werkt bij een marketingbureau. Hij verdient bruto € 2.000 per maand. Hij krijgt een reiskostenvergoeding van € 60 per maand. Cas betaalt aan loonheffing € 300 per maand. Hij heeft recht op 8% vakantiegelduitkering. Hoeveel is de nettobetaling?