Hygiëne les 1 26-27

Hygiëne les 1
1 / 14
next
Slide 1: Slide
DierverzorgingMBOStudiejaar 1

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min
Report this lesson

Items in this lesson

Hygiëne les 1

Slide 1 - Slide

Manier van werken
Eindtoets met cijfer

Tijdens de les maken we opdrachten via een digitale lesmethode


Slide 2 - Slide

Wat weet je al over hygiëne?

Slide 3 - Mind map

Wat is hygiëne?
Doel: voorkomen dat mensen en dieren ziek worden door ziekteverwekkers.

Bestaat uit:
  • Reinigen = zichtbaar vuil en ziekteverwekkers verwijderen
  • Desinfecteren = ziekteverwekkers doden

Vuil (haren, strooisel, ontlasting, voer, zand…) → broedplaats voor ziekteverwekkers → infectie → ziekte.

Conclusie: houd de omgeving van het dier altijd schoon!

Slide 4 - Slide

Bij reinigen wordt zichtbaar vuil, waarin veel ziekteverwekkers zitten, verwijderd
A
Goed
B
Fout

Slide 5 - Quiz

Waarom wil je geen zieke dieren?
Zieke dieren:
  • Voelen zich niet lekker
  • Groeien en produceren minder
  • Kosten voor zorg en medicijnen
  • Kans op sterfte
  • Risico voor volksgezondheid (zoönosen)

👉 Goede hygiëne voorkomt ziekte!

Slide 6 - Slide

Het belang van hygiëne
Waarom ziekteverwekkers weren?

  1. Voorkomen dierziekten
  2. Beschermen volksgezondheid
  3. Gezonde producten produceren

  • Consumenten mogen niet ziek worden van 
       dierlijke producten
  • Hele keten verantwoordelijk (boer → winkel)
  • Hygiëne wettelijk verplicht (KKM, IKB, SKV)

Slide 7 - Slide

De hele keten (van boer tot supermarkt) is verantwoordelijk voor het produceren van gezonde producten
A
Goed
B
Fout

Slide 8 - Quiz

Besmetting en infectie
Besmetting = ziekteverwekker komt op/in het lichaam
Infectie = ziekteverwekker dringt binnen en vermeerdert

Niet elke besmetting → infectie

Infectieziekte = infectie veroorzaakt schade/ziekte
Bescherming = huid; zwakke plekken = wondjes & slijmvliezen

Slide 9 - Slide

Bij een besmetting is een dier ziek
A
Goed
B
Fout

Slide 10 - Quiz

Besmetting en infectie
Goede hygiëne verlaagt besmettings- en infectiedruk

Besmettingsdruk = aantal ziekteverwekkers in de omgeving
Infectiedruk = aanwezigheid van zieke dieren

Minder ziekteverwekkers → lagere besmettingsdruk → 
kleinere kans op besmetting

Slide 11 - Slide

Besmettingsroutes
Direct contact = van ziek dier → gezond dier (likken, wassen, snuffelen, paren…)

Indirect contact = via omgeving of materialen (ontlasting, urine, braaksel, speeksel, bloed, besmette voorwerpen, parasieten)

Slide 12 - Slide

Ziekteverwekkers
Ziekteverwekkers: micro-organismen die ziekten veroorzaken
Micro-organismen: organismen die onzichtbaar zijn met het blote oog

Zeven verschillende micro-organismen: 
  • Bacteriën en gisten
  • Schimmels
  • Protozoën
  • Endoparasieten
  • Ectoparasieten
  • Virussen
  • Prionen






Slide 13 - Slide

Aan de slag
Inloggen op de digitale lesmethode

Maken onderdelen:
  • Microbiologie - hygiëne
  • Microbiologie - indeling van ziekteverwekkers

Ben je klaar? Dan kun je eventueel verder met bacteriën etc.

Slide 14 - Slide