bacterie, virus, afweersysteem

Bacterie, virus, afweersysteem
Doelen
Ik kan uitleggen wat een bacterie is.
Ik kan uitleggen wat een virus is.
Ik weet hoe een bacterie en virus zich vermenigvuldigen.
Ik weet wat aspecifieke afweer is en ken 3 voorbeelden.
Ik kan uitleggen hoe specifieke afweer werkt.

1 / 30
next
Slide 1: Slide
AnatomieMBOStudiejaar 1

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Bacterie, virus, afweersysteem
Doelen
Ik kan uitleggen wat een bacterie is.
Ik kan uitleggen wat een virus is.
Ik weet hoe een bacterie en virus zich vermenigvuldigen.
Ik weet wat aspecifieke afweer is en ken 3 voorbeelden.
Ik kan uitleggen hoe specifieke afweer werkt.

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat is een bacterie?

Slide 2 - Mind map

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Een bacterie heeft:
A
Een omsloten celkern.
B
Losliggend DNA.

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

Een bacterie kan:
A
Zichzelf delen en zo vermenigvuldigen.
B
Zich alleen met hulp van een gastheer vermenigvuldigen.

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Een virus kan:
A
Zichzelf delen en zo vermenigvuldigen.
B
Zich alleen met hulp van een gastheer vermenigvuldigen.

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Een virus bevat:
A
DNA in een celkern.
B
RNA in een celkern.
C
Los DNA.
D
Los RNA.

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Hoe werkt je afweersysteem?

Slide 11 - Open question

This item has no instructions

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Noem 3 vormen van aspecifieke afweer.

Slide 13 - Mind map

This item has no instructions

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Macrofaag
https://www.facebook.com/reel/1435634238285934


Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn pathogenen?
A
bacteriën
B
virussen
C
schimmels
D
protozoen

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Wat is een antigeen?
A
Een specifiek eiwit op de celmembraan van een pathogeen
B
Een specifiek eiwit op een antistof
C
Een reactie op een lichaamsvreemd eiwit

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Wat zijn antilichamen of antistoffen?

Slide 19 - Open question

This item has no instructions

Slide 20 - Slide

Antigeen presenterende cel presenteert het antigeen ( rode bolletje) aan specifieke B-cellen ( B-lymfocyten). die worden actief. Daarna gaat deze specifieke B-cel zich veelvuldig delen en ontstaan er 2 soorten cellen uit. 1= de plasmacel die antistoffen maken tegen het specifieke antigeen en 2= de geheugencellen. Biju een volgende infectie met hetzelfde antigeen kunnen die meteen antistoffen aanmaken
aspecifieke afweer
specifieke afweer
antilichaam
antigeen
Kenmerkend eiwit in de wand van een cel.
Eiwit dat zich bindt aan ziekteverwekker.
huid
maagzuur
fagocytose
geheugen cellen

Slide 21 - Drag question

This item has no instructions

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Als je griep hebt gehad krijg je dat meestal in dezelfde winter niet nog een keer. Dat komt omdat:

Slide 23 - Open question

This item has no instructions

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

kunstmatige actieve immuniteit krijg je door
A
borstvoeding
B
toedienen antilichamen
C
vaccinatie
D
ziekte doormaken

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

natuurlijke actieve immuniteit krijg je door
A
borstvoeding
B
toedienen antilichamen
C
vaccinatie
D
ziekte doormaken

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

natuurlijke passieve immuniteit krijg je door
A
borstvoeding
B
toedienen antilichamen
C
vaccinatie
D
ziekte doormaken

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

kunstmatige passieve immuniteit krijg je door
A
borstvoeding
B
toedienen antilichamen
C
vaccinatie
D
ziekte doormaken

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions