13.6 Afweer

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 13.6 blz. 138
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen
1 / 24
next
Slide 1: Slide
BiologieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 24 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Verwachtingen vandaag!
  • Mijn boek ligt open op paragraaf: 13.6 blz. 138
  • Ik heb alleen de benodigde spullen op tafel: Boek, schrift en etui
  • Als ik wat wil zeggen steek ik mijn hand op 
  • Als de docent praat ben ik stil
  • Ik respecteer een ander en zijn eigendommen

Slide 1 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt de kenmerken en functies van weefselvloeistof en lymfe noemen.

Slide 2 - Slide

13.6 Afweer
Thema 13 Transport en afweer

Slide 3 - Slide

Leerdoelen 13.6
  • Je kunt beschrijven hoe antistoffen bescherming bieden tegen infecties en op welke manieren immuniteit kan ontstaan.
  • Je kunt omschrijven hoe stoffen een allergische reactie kunnen veroorzaken.

Slide 4 - Slide

Infectie
  • Stoffen die niet in je lichaam thushoren, noem je lichaamsvreemde stoffen.
  • Deze komen het lichaam binnen door bijvoorbeeld infecties, bloedtransfusies en bij orgaantransplantaties.
  • Bij een infectie dringen ziekteverwekkers je lichaam binnen en vermenigvuldigen zich.
  • De ziekteverwekkers kunnen bacteriën, virussen, schimmels of dieren (zoals insecten) zijn. 

Slide 5 - Slide

Algemene afweer
Je lichaam is meestal goed beschermd tegen ziekteverwekker. Deze bescherming heet afweer en bestaat uit de volgende delen:
  • Talg op de huid
  • Slijmvlies in de wand van de luchtwegen en het darmkanaal
  • Maagsap
  • Witte bloedcellen
Als ziekteverwekkers toch binnen dringen, kunnen deze je ziek maken. Je lichaam gaat dit op de volgende manieren tegen: koorts of het versnellen van afweerreacties. Medicijnen kunnen afweer ook versnellen.

Slide 6 - Slide

Tuberculose
  • Tuberculose wordt veroorzaakt door een bacterie.
  • De tuberculose bacterie komt het lichaam binnen via de longen en verspreidt zich in het bloed door het lichaam.
  • Door tuberculose moet je vaak hoesten en beschadigen je longen.
  • Door antibiotica komt tuberculose in Nederland nog maar weinig voor.
  • Antibiotica doden alleen bacteriën en geen virussen.

Slide 7 - Slide

Antistoffen
  • Aan ziekteverwekkers zitten eiwitten die we antigenen noemen.
  • Je afweersysteem herkent deze antigenen als lichaamsvreemde stoffen.
  • Als reactie daarop maken witte bloedcellen antistoffen tegen deze antigenen. De antistoffen kunnen zich hechten aan de antigenen.
  • Een binnengedrongen ziekteverwekker kan zo onschadelijk gemaakt worden.
  • Als je een infectie oploopt, duurt het even voordat de witte bloedcellen voldoende antistof tegen de ziekteverwekker hebben gemaakt.
  • Daarom wordt je eerst ziek en bij genoeg antistof weer beter.

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

Specifieke afweer
  •  Een antistof in specifiek: één type antistof kan zich maar aan één type antigeen hechten.
  • Elke ziekteverwekker heeft andere antigenen.
  • As je lichaam een bepaald type antistof heeft gemaakt, blijft deze nog een tijd aanwezig in het bloed.
  • Bij bloedonderzoek wordt vaak gekeken welke antistoffen er in het bloed aanwezig zijn. 
  • Als er antistof tegen een bepaalde ziekteverwekker wordt aangetroffen, is dat iemand besmet is (geweest) met die ziekteverwekker.

Slide 10 - Slide

Natuurlijke immuniteit
  •  Witte bloedcellen onthouden hoe ze een antistof maken.
  • Als je dan later nog eens met dezelfde ziekteverwekker wordt besmet, kan de antistof vrijwel onmiddellijk worden aangemaakt, zodat je niet ziek wordt. Je bent dan immuun voor deze ziekte.
  • We spreken dan van natuurlijke immuniteit.
  • Het afweersysteem wordt ook wel het immuunsysteem genoemd.

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Kunstmatige immuniteit
  • Tegen sommige ziekten kun je een vaccinatie krijgen.
  • Dit bevat een deel van de dode of verzwakte ziekteverwekker of antigenen, of een stof die ervoor zorgt dat het lichaam zelf de antistoffen gaat aanmaken. 
  • Omdat er nooit een hele ziekteverwekker in zit wordt niet (erg) ziek.
  • Er worden antistoffen gemaakt, mocht je later geïnfecteerd worden, dan heeft je lichaam al antistoffen en ben je immuun. 
  • Immuniteit door vaccinatie heet kunstmatige immuniteit.

Slide 13 - Slide

Vaccinaties 
  • Kinderen krijgen in hun eerste levensjaar enkele keren een DKTP-prik. 
  • Dit is een vaccinatie tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio.
  • Daarna krijgen ze nog een BMR-prik tegen bof, mazelen en rodehond.
  • Op latere leeftijd kun je nog vaccinaties krijgen tegen HPV. Dit kan baarmoederhalskanker veroorzaken. Deze prik is voor zowel jongens als meisjes vanaf 10 jaar. 

Slide 14 - Slide

Actieve en passieve immuniteit
  • Bij een vaccinatie is er sprake van een actieve immunisatie. Doordat je zelf de antistof maakt.
  • Als je antistoffen krijgt ingespoten, bijvoorbeeld na een beet van een dier, spreek je van passieve immunisatie
  • Je krijgt dan een serum ingespoten met antistoffen. Deze maken de antigenen direct onschadelijk
  • Serum is bloedplasma zonder stollingseiwitten. Het wordt gemaakt door proefdieren te injecteren met de desbetreffende antigenen.
  • De witte bloedcellen worden dan uit het proefdier gehaald.

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Baby's 
Bij baby's en kinderen werkt het afweersysteem nog niet optimaal.
De eerste vijftien weken zijn baby's beschermd door de antistoffen.
In moedermelk zitten nog meer stoffen die de afweer van een baby sterker maken:
  • Moedermelk bevat een stof die helpt om het slijmvlies van het darmkanaal van de baby op te bouwen, deze houdt ziekteverwekkers tegen.
  • Moedermelk bevat een stof die de groei van goede bacteriën in de darmen bevorder. Slechte bacteriën krijgen daardoor minder kans.

Slide 17 - Slide

Vaccinatie van dieren
Ook huisdieren en dieren in de landbouw kunnen worden gevaccineerd.
Vaccinatie van dieren is niet verplicht, maar er zijn uitzonderingen:
  • Als er een zeer besmettelijke ziekte uitbreekt mag de overheid veehouders verplichten om te vaccineren, dit kan een epidemie voorkomen.
  • Professionele houders van geiten en schapen moeten deze vaccineren tegen Q-koorts. Dit is namelijk besmettelijk voor mensen
  • Pluimveehouders moeten hun dieren vaccineren tegen pseudovogelpest.

Slide 18 - Slide

Allergie
  • Bij een allergie reageert het afweersysteem van je lichaam heel sterk op een bepaalde stof. Je krijgt dan een allergische reactie.
  • Huiduitslag, een branderig gevoel, gezwollen ogen, jeuk, ontstekingen en astma zijn hier voorbeelden van.
  • Je kunt voor heel veel zaken allergisch zijn zoals: stuifmeel, uitwerpselen van huisstofmijt, huidschilfers, noten, chemicaliën en stoffen in make-up.

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Hooikoorts
  • Sommige mensen kunnen er niet tegen wanneer hun slijmvlies in aanraking komt met stuifmeel.
  • Deze mensen hebben last van hooikoorts
  • Dit type allergie komt vaak voor.
  • De stuifmeelkorrels prikkelen het slijmvlies van de luchtwegen en van de binnenkant van de oogleden.
  • Hierdoor ontstaat een branderig of jeukend gevoel in neus, keel en ogen.
  • Mensen met hooikoorts moeten vaak niezen. 

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Aan het werk!
Maken opdrachten 13.6: 1, 2, 4, 5, 6 en 7
Werk af?
Laten checken bij docent, bij goedkeuring nakijken.
Werk nagekeken en laten controleren?
  • Plusopdracht maken
  • Test jezelf
  • Lezen
  • Bezig met een ander vak

 

timer
25:00

Slide 23 - Slide

Leerdoelen herhalen
  • Je kunt beschrijven hoe antistoffen bescherming bieden tegen infecties en op welke manieren immuniteit kan ontstaan.
  • Je kunt omschrijven hoe stoffen een allergische reactie kunnen veroorzaken.

Slide 24 - Slide