werkwoordspelling tt / vt/ vd

werkwoordspelling
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd ( voltooid deelwoord)
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

werkwoordspelling
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooide tijd ( voltooid deelwoord)

Slide 1 - Slide

Schrijf een zin (tegenwoordige tijd)

Slide 2 - Open question

Mijn moeder heeft mij gebeld.
A
goed
B
fout

Slide 3 - Quiz

Verleden tijd

Slide 4 - Slide

Gisteren ________ ik in het park.
A
rente
B
renten
C
rende
D
renden

Slide 5 - Quiz

Hij ________ in een fiets.
A
koopte
B
kocht

Slide 6 - Quiz

(gaan) Ahmet vaak naar zijn grootouders?
A
gingen
B
ging
C
gaatte

Slide 7 - Quiz

Ik (zijn) boer.
A
was
B
is
C
waren

Slide 8 - Quiz

Mijn grootvader (timmeren) zijn eigen kasten.
A
timmerde
B
timmerte

Slide 9 - Quiz

tegenwoordige tijd

verleden tijd
voltooide tijd

loopt
gebruikt
maakte
rende
gekookt
schrijft
gespeeld
breekt
dansde
verteld

Slide 10 - Drag question

Schrijf de zin in de voltooide tijd op.
Hij haalt de auto in.

Slide 11 - Open question

Schrijf de zin in de verleden tijd:
Ik heb een tuin.

Slide 12 - Open question

Schrijf de zin in voltooide tijd.
Ik verhuis naar het platteland.

Slide 13 - Open question

In welke tijd staan de zinnen?



1. Ik heb lekker geslapen.

2. De kinderen moeten weer naar school.

3. De man wilde naar huis gaan.
voltooide tijd
verleden tijd
tegenwoordige tijd

Slide 14 - Drag question