Het weer beschrijven

Het weer beschrijven
1 / 11
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 11 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Het weer beschrijven

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Leerdoelen
Aan het einde van de les kun je het weer beschrijven met behulp van relevante substantieven in de tegenwoordige en verleden tijd. Aan het einde van de les kun je de juiste vervoegingen van de werkwoorden in presens en perfectum gebruiken om over het weer te praten. Aan het einde van de les kun je zinnen vormen in zowel de tegenwoordige als de verleden tijd om weersomstandigheden te beschrijven.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Wat weet je al over het weer?

Slide 3 - Mind map

This item has no instructions

De correcte toepassing van het presens en perfectum bij het beschrijven van het weer.
Juiste vervoegingen van werkwoorden in presens en perfectum.

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

De woordenschat gerelateerd aan weersomstandigheden
Wolken, koude, warmte, hitte, vorst, wind, zon, regen en sneeuw.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Het vormen van zinnen om het weer te beschrijven
Zinnen vormen in presens en perfectum aan de hand van gegeven voorbeelden.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Oefeningen toepassen
Oefeningen om de kennis van het beschrijven van het weer in presens en perfectum toe te passen.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Definitielijst
Presens: de vorm van het werkwoord die de tegenwoordige tijd aangeeft. Perfectum: de vorm van het werkwoord die een voltooid verleden tijd aangeeft. Substantief: een zelfstandig naamwoord dat een persoon, plaats, ding of concept aanduidt.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 9 - Open question

De leerlingen voeren hier drie dingen in die ze in deze les hebben geleerd. Hiermee geven ze aan wat hun eigen leerrendement van deze les is.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Slide 10 - Open question

De leerlingen voeren hier twee dingen in waarover ze meer zouden willen weten. Hiermee vergroot je niet alleen betrokkenheid, maar geef je hen ook meer eigenaarschap.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 11 - Open question

De leerlingen geven hier (in vraagvorm) aan met welk onderdeel van de stof ze nog moeite. Voor de docent biedt dit niet alleen inzicht in de mate waarin de stof de leerlingen begrijpen/beheersen, maar ook een goed startpunt voor een volgende les.