Taalcompleet B1 thema 2 les 2.1

18.1 - Nahom ... extra vitamines...
(moeten, slikken)
1 / 89
next
Slide 1: Open question
NT2ISK

This lesson contains 89 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

18.1 - Nahom ... extra vitamines...
(moeten, slikken)

Slide 1 - Open question

Taalcompleet B1 thema 2 les 2.1
Gezondheid

Slide 2 - Slide

Titel?

Slide 3 - Slide

Wat is een goede titel voor het artikel?
A
Nederlanders vinden gezondheid het belangrijkst in het leven.
B
Nederlandse jongeren vinden vrije tijd het belangrijkst voor een goed leven.
C
Vrouwen vinden gezondheid belangrijker dan mannen.

Slide 4 - Quiz

2.1 Voel je goed
Opdracht 2. Bespreek samen
1. Wat vind jij belangrijk voor een goed leven?
Zet de volgende dingen op volgorde van belangrijkst (1) naar minst belangrijk (9). 

Reizen
Een eigen huis
geld
Gezondheid
Trouwen
Een goede baan
Vrijheid
Kinderen
controle hebben over je leven
timer
5:00

Slide 5 - Slide

2. bespreek samen
2. Heb jij dezelfde mening als Nederlanders?
3. Zijn er voor jou nog andere dingen die belangrijk zijn?

Slide 6 - Slide

Lesidee 2.1a
De gelukkigste man ter wereld woont in Nepal.
A
waar
B
niet waar

Slide 7 - Quiz

Onderzoek van Richard Davidson wees uit dat de Tibetaanse monnik Matthieu Ricard
de gelukkigste man ter wereld is. Hij woont in Nepal.

Slide 8 - Slide

Lesidee 2.1a
Nederlanders vinden sporten leuker dan op de bank zitten.
A
waar
B
niet waar

Slide 9 - Quiz


Uit onderzoek van GezondNu onder 500 Nederlanders bleken snacken en bankhangen de favoriete bezigheden.

Slide 10 - Slide

Lesidee 2.1a
Voetbal is de populairste teamsport in Nederland.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quiz


Waar, volgens de sportorganisatie NOC*NSF.

Slide 12 - Slide

Lesidee 2.1a
Als je vrijwilligerswerk doet, ben je gelukkiger.
A
waar
B
niet waar

Slide 13 - Quiz


Volgens onderzoek van het CBS doet ongeveer 50% van de Nederlanders aan vrijwilligerswerk. Zij zijn gemiddeld gelukkiger dan de mensen die geen vrijwilligerswerk doen.

Slide 14 - Slide

Lesidee 2.1a
De oudste Nederlander ooit was 117 jaar.
A
waar
B
niet waar

Slide 15 - Quiz


De oudste Nederlander tot nu toe was een vrouw van 115 jaar en 62 dagen.

Slide 16 - Slide

Opdracht 3. Doe de test
Vul voor iedere vraag het antwoord in wat het beste bij jou past. 

Klaar? Tel hoe vaak je A hebt ingevuld, hoe vaak je B hebt ingevuld en hoe vaak je C hebt ingevuld. 

Kijk daarna welk antwoord je het vaakst hebt ingevuld en lees het stukje tekst dat hierbij hoort.

Slide 17 - Slide

Opdracht 4. Spreek samen
1. Wat is het resultaat van je test?
2. Ben je het eens met het resultaat?
3. Ga je iets veranderen in je gewoonten? Wat?

Slide 18 - Slide

Nieuwe woorden
biologisch                            actief                                    rauw
kant-en-klaar                      de diepvries                      verslaafd zijn (aan)
minstens                              de drugs                              de vrije tijd
stuks                                       het etiket                            het wisselt
de vegetariër                       fris
verwennen                           mager
de vitamine                          de oefening
de voeding                            zich ontspannen

Slide 19 - Slide

5.1 Hij neemt gezonde voeding mee.
A
Hij neemt gezond drinken mee.
B
Hij neemt gezond eten mee.

Slide 20 - Quiz

5.2 - Nahom is vegetariër.
A
Nahom eet geen vlees.
B
Nahom is gek op vlees.

Slide 21 - Quiz

5.3 - Die groenten zijn rauw.
A
Die groenten zijn erg lekker.
B
Die groenten zijn nog niet gekookt.

Slide 22 - Quiz

5.4 - Jasmin is een heel actieve vrouw.
A
Jasmin is altijd bezig.
B
Jasmin is heel vriendelijk.

Slide 23 - Quiz

5.5 - Wij zijn verslaafd aan sigaretten.
A
Wij houden helemaal niet van sigaretten.
B
Wij kunnen moeilijk leven zonder sigaretten.

Slide 24 - Quiz

5.6 - Werk jij thuis of op kantoor? Het wisselt.
A
Ik werk soms thuis, soms op kantoor.
B
Vroeger op kantoor maar nu thuis.

Slide 25 - Quiz

6.2 Wat past niet in het rijtje?
A
fris
B
koek
C
koffie
D
thee

Slide 26 - Quiz

6. 3 Wat past niet in het rijtje?
A
alcohol
B
drugs
C
fruit
D
sigaretten

Slide 27 - Quiz

6. 4 Wat past niet in het rijtje?
A
slapen
B
uitrusten
C
werken
D
zich ontspannen

Slide 28 - Quiz

6. 5 Wat past niet in het rijtje?
A
diepvries
B
ijskast
C
koelkast
D
oven

Slide 29 - Quiz

6. 6 Wat past niet in het rijtje?
A
oefening
B
opdracht
C
taak
D
tekst

Slide 30 - Quiz

6. 7 Wat past niet in het rijtje?
A
rust
B
vakantie
C
vrije tijd
D
werk

Slide 31 - Quiz

7.1 Welk woord past in de zin?
Als je een huis wilt kopen, moet je ... achttien jaar zijn.
A
mager
B
minstens

Slide 32 - Quiz

7.2 Ik plak op mijn boek een ... met mijn naam
A
etiket
B
oefening

Slide 33 - Quiz

7.3. Nahom mag van de dokter alleen .... vlees eten.
A
actief
B
mager

Slide 34 - Quiz

7.5. Ik heb weinig tijd, dus ik koop iets wat ... is.
A
biologisch
B
kant-en-klaar

Slide 35 - Quiz

7.4. Mijn moeder is jarig. Ik ga haar ....
A
ontspannen
B
verwennen

Slide 36 - Quiz

7.7 Die boer verkoopt alleen .... kaas.
A
biologische
B
frisse

Slide 37 - Quiz

7.6. Hoeveel zeep heb je nodig? Zal ik drie ... kopen?
A
rauwe
B
stuks

Slide 38 - Quiz

7.8. Als je niet genoeg in de zon loopt, moet je ... nemen.
A
vitamines
B
voeding

Slide 39 - Quiz

8.1 Wat is gezond om in de pauze te eten? (rauw)

Slide 40 - Open question

8.2 Wat heb ik nodig voor dat recept? (mager)

Slide 41 - Open question

8.3 Hoe vaak ga jij sporten? (wisselen)

Slide 42 - Open question

8.4 Je hebt te veel eten gekookt. Wat doe je dan? (diepvries)

Slide 43 - Open question

8.5 Hoe is het weer buiten? (fris)

Slide 44 - Open question

8.6. Hoe weet ik of een product gezond is? (het etiket)

Slide 45 - Open question

9. 1 Maak een zin: verslaafd zijn (aan)

Slide 46 - Open question

9.2 Maak een zin met: vrije tijd

Slide 47 - Open question

9.3 Maak een zin met: oefening

Slide 48 - Open question

9.4 Maak een zin met: actief

Slide 49 - Open question

9.5 Maak een zin met: drugs

Slide 50 - Open question

9.6 Maak een zin met: zich ontspannen

Slide 51 - Open question

10. Lees de vragen en luister dan naar de tekst.**

Schrijf de antwoorden in je boek op blz. 47. 

Slide 52 - Slide

Slide 53 - Slide

Opdracht 11.**
Reactie met gevoel op een probleem
Advies
Reactie op een advies.
Bewegen is belangrijk
Dat is niet leuk.
Goed idee! 
Ik weet het niet, hoor! 
Ik zou minder snoepen.
Ja, dat is zo.
Je kunt het best groenten eten
Misschien moet je vaker de trap nemen.
Wat lastig! 
Wat vervelend!

Slide 54 - Drag question

Handige zinnen
Met gevoel reageren            Advies geven                    Reageren op adviezen
Wat lastig!                                 Je kunt het best ...          Ik weet het niet, hoor.
Dat is niet leuk.                       Misschien moet je ...     Goed idee!
Wat vervelend!                        Ik zou ...                               Ja, dat is zo! 
                                                        ... is belangrijk. 

Na kunnen, moeten en zou(den) gebruik en een tweede werkwoord. 

Slide 55 - Slide

12. 1. Ik kan de woorden op het bord niet meer lezen.
1. Wat ...

Slide 56 - Open question

12. 1. Ik kan de woorden op het bord niet meer lezen.
2. Je kunt het best ...

Slide 57 - Open question

12. 2. Ik voel me al heel lang moe en verdrietig.
1. Wat ...

Slide 58 - Open question

12. 2. Ik voel me al heel lang moe en verdrietig.
2. Misschien moet je ...

Slide 59 - Open question

12. 3. Ik heb zere armen achter de computer.
1. Dat ...

Slide 60 - Open question

12. 3. Ik heb zere armen achter de computer.
2. Ik zou ...

Slide 61 - Open question

12. 4. Ik heb een droge mond en hoofdpijn.
1. ....

Slide 62 - Open question

12. 4. Ik heb een droge mond en hoofdpijn.
2. .... is belangrijk. Minimaal 2 liter per dag!

Slide 63 - Open question

Opdracht 13, 14 en 15
Spreek samen 
timer
8:00

Slide 64 - Slide

Grammatica en schrijven
Je kunt een tweede werkwoord gebruiken na: 
blijven                          willen                             laten
gaan                              zie                                   kunnen leren
helpen                          zullen                             komen moeten
horen                            mogen

Het eerste werkwoord hoort bij het onderwerp. Het tweede werkwoord staat aan het einde van de zin. Je gebruikt het hele werkwoord.

Ze mogen geen televisie kijken.                       Maaike hoort de buren buiten schreeuwen.
Ik zou meer sporten. 

Slide 65 - Slide

17.1 - Iedereen moet / moeten minstens 20 minuten per dag beweegt / bewegen.
A
moet / bewegen
B
Moeten / beweeg
C
moet/ beweegt
D
moeten/bewegen

Slide 66 - Quiz

17.2 - Ik zal / zult veel groenten en fruit koop / kopen.
A
zal / kopen
B
zult / kopen
C
zal/koop
D
zult/kopen

Slide 67 - Quiz

17.3 - Jij komt / komen vanavond bij ons eet / eten.
A
komt /eet
B
komen /eet
C
komen/ eet
D
komt/eten

Slide 68 - Quiz

17.4 - Lisa ziet / zien de frisdrank in de kast staat / staan.
A
ziet/ staat
B
zien / staat
C
zien / staat
D
ziet /staan

Slide 69 - Quiz

17.5 - Jullie gaat / gaan morgen sport / sporten.
A
gaat / sport
B
gaan / sporten
C
gaan /sport
D
gaat / sporten

Slide 70 - Quiz

17.6 - Mijn zoon mag / mogen niet de hele dag achter de computer zit / zitten.
A
mag / zit
B
mogen /zit
C
mogen /zitten
D
mag /zitten

Slide 71 - Quiz

18.1 - Nahom .... extra vitamines .....(moeten, slikken)

Slide 72 - Open question

18.2 - Wij ... het recept niet...
(kunnen, vinden)

Slide 73 - Open question

18.3 - Raoel en Sanne ... geen vlees...
(willen, eten)

Slide 74 - Open question

18.4 - De vrouw ... haar sporttas...
(laten, vallen)

Slide 75 - Open question

18.5 - Ik ... in de pauze even ...
(gaan, wandelen)

Slide 76 - Open question

Slide 77 - Slide

Slide 78 - Slide

Lesidee 2.1b - Maak goede zinnen: 
Bij het hobbyhuis. 





(Na opdracht 20)

Slide 79 - Slide


Slide 80 - Open question


Slide 81 - Open question


Slide 82 - Open question


Slide 83 - Open question


Slide 84 - Open question


Slide 85 - Open question

Opdracht 23.
Lisa verzorgt haar gezicht.
Tim scheert zich.
Het kind laat haar tanden poetsen.
Ahmet laat zich scheren.
Het kind poetst haar tanden.
Maaike laat zich verzorgen.
A
B
C
D
E

Slide 86 - Drag question

Opdracht 24.
1. De gehandicapte moet speciale schoenen ...
2. Wil je je  medicijnen nu ...? Hier is water.
3. De baby wil zich niet ... door de verpleegkundige.
4. Veel mannen .... door de kapper.
5. Het jarige meisje ... 
6. Daan gaat naar de apotheek om medicijnen ... 
1. maken
1. laten maken
2. innemen
2. laten innemen
3. prikken
3. laten prikken
4. knippen hun haar
4. laten hun baard knippen
5. verwent
5. laat zich verwennen
6. klaarte maken
6. klaar te laten maken

Slide 87 - Drag question

Opdracht 25. Spreek samen
1. Wat doe jij zelf?
2. Wat laat jij doen?

Slide 88 - Slide

Maak online 2.1

Slide 89 - Slide