BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Examentraining
Bevolking en migratie: zo pak je examenvragen aan
BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Examentraining
Bevolking en migratie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jack de Nijs, Anefo / Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over bevolking en migratie beantwoorden met een bevolkingspiramide, een migratiekaart en cijfers over groei.
This item has no instructions
BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat vraagt de vraag? Beschrijven, verklaren of voorspellen?
2. Kijk: lees de titel, de legenda en de getallen van de piramide, kaart of tabel.
3. Reken of vergelijk: gebruik de getallen uit de bron en noem bij een vergelijking beide gebieden.
4. Schrijf: gebruik het juiste begrip en maak de zin af met omdat of daardoor.
This item has no instructions
Bevolkingspiramide van Nederland, 2016 (links mannen, rechts vrouwen, in duizenden)
BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Vraagtype 1: bevolkingspiramide lezen
Links staan de mannen, rechts de vrouwen. Onderaan de jongste groep, bovenaan de oudste.
Een brede voet betekent veel kinderen. Een smalle voet betekent ontgroening.
Een brede bovenkant betekent vergrijzing. Een bult is een grote groep uit dezelfde periode.
In het examen krijg je vaak twee piramides van verschillende jaren of landen. Laat leerlingen eerst de assen lezen: gaat het om aantallen of om procenten? Image credit: CIA World Factbook / Wikimedia Commons, publiek domein
In een piramide is de groep 0-4 jaar smaller dan 25-29 jaar. Wat zie je?
Vergrijzing: er komen steeds meer ouderen bij
Babyboom: er worden meer kinderen geboren
Emigratie: veel jonge ouders vertrekken
Ontgroening: er worden minder kinderen geboren
Goed: een smallere voet dan de groep erboven betekent minder geboorten, dus ontgroening. Verwachte fout: vergrijzing kiezen omdat het ook over de leeftijdsopbouw gaat.
Piramide van 2016: een bult bij 60-69 jaar. Wie zijn dat?
Goed antwoord: de babyboomers, geboren tussen ongeveer 1947 en 1956, kort na de Tweede Wereldoorlog, toen er veel kinderen werden geboren. Verwachte fout: zeggen dat het migranten zijn, of niet terugrekenen naar het geboortejaar.
Feestdag voor Turkse gastarbeiders in het Vondelpark, Amsterdam, 2 maart 1969
BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Vraagtype 2: migratiekaart met pijlen lezen
Op een migratiekaart laat een pijl zien waar mensen vandaan komen en waar ze naartoe gaan.
Hoe dikker de pijl, hoe meer migranten. Lees in de legenda wat een dikte betekent.
Beschrijf altijd: van waar, naar waar, hoeveel en waarom (het motief).
Stroompijlen kunnen binnenlandse migratie laten zien (bijvoorbeeld van de Randstad naar Flevoland) of buitenlandse migratie (bijvoorbeeld van Turkije naar Nederland en Duitsland). Image credit: Jack de Nijs, Anefo / Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0
Een kaart: dikke pijl van Polen naar Nederland, dunne pijl terug. Wat klopt?
Er komen meer mensen uit Polen dan er teruggaan
Er gaan meer mensen naar Polen dan er komen
Er komen evenveel mensen als er vertrekken
De dikte zegt alleen iets over de afstand
Goed: de dikte van de pijl staat voor het aantal migranten. Dik naar Nederland en dun terug betekent een positieve sociale groei voor Nederland. Verwachte fout: de richting van de pijl verkeerd lezen.
Een pijl loopt van Amsterdam naar Almere. Noem een motief.
Goed antwoord: een grotere of betaalbaardere woning, een huis met tuin, rustiger wonen. Dit is binnenlandse migratie. Verwachte fout: een motief voor buitenlandse migratie noemen, zoals vluchten voor oorlog.
BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Vraagtype 3: bevolkingsgroei berekenen
Natuurlijke groei is geboorte min sterfte. Sociale groei is vestiging min vertrek.
Tel ze op voor de totale groei. Een min-getal betekent dat de bevolking daalt.
Verklaren: zeg welke van de twee de groei vooral veroorzaakt.
Examenvragen geven vaak een tabel met geboorte, sterfte, vestiging en vertrek. Laat leerlingen de berekening opschrijven, dan zien ze een rekenfout sneller.
300 geboren, 500 overleden, 900 gevestigd, 400 vertrokken. Totale groei?
700 inwoners erbij
200 inwoners eraf
300 inwoners erbij
500 inwoners erbij
Goed: natuurlijke groei 300 min 500 is min 200. Sociale groei 900 min 400 is plus 500. Samen plus 300. Verwachte fouten: alleen de sociale groei (500) of alleen de natuurlijke groei (min 200) geven.
Een dorp heeft meer sterfte dan geboorte, maar groeit toch. Hoe kan dat?
Goed antwoord: de sociale groei is groter dan de natuurlijke daling: er komen meer mensen wonen dan er vertrekken, bijvoorbeeld door een nieuwe woonwijk. Verwachte fout: zeggen dat er dan toch meer kinderen geboren worden.
Bevolkingspiramide van Duitsland, 2021 (links mannen, rechts vrouwen)
BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Vraagtype 4: Nederland en Duitsland vergelijken
Je beschrijft een verschil of overeenkomst tussen Nederland en Duitsland en je verklaart het.
Noem altijd beide landen: in Duitsland ..., in Nederland ..., omdat ...
Handige begrippen: natuurlijke groei, migratie, vergrijzing en demografische transitie.
Alleen KB en GL/TL. In de Duitse piramide van 2021 is de voet smal en de groep rond 55 tot 60 jaar het breedst. Vergelijk hem met de Nederlandse piramide uit les 1. Image credit: CIA World Factbook / Wikimedia Commons, publiek domein
Duitsland heeft sinds 1972 meer sterfte dan geboorte. Wat betekent dat?
Zonder migratie stijgt het aantal inwoners
Er komen meer jongeren dan ouderen bij
Zonder migratie daalt het aantal inwoners
De sociale groei is dan altijd negatief
Alleen KB en GL/TL. Goed: de natuurlijke groei is negatief, dus zonder immigratie krimpt de bevolking. Verwachte fout: natuurlijke en sociale groei door elkaar halen.
Noem een overeenkomst in de migratie naar Nederland en Duitsland na 1955.
Alleen KB en GL/TL. Goed antwoord, bijvoorbeeld: beide landen haalden gastarbeiders, onder meer uit Turkije; in beide landen stopte de werving in 1973; in beide landen kwamen daarna gezinnen via gezinshereniging; beide landen ontvingen vanaf 2015 veel vluchtelingen uit Syrië. Verwachte fout: alleen één land noemen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Bevolkingspiramide lezen
Migratiekaart met pijlen lezen
Bevolkingsgroei berekenen
Nederland en Duitsland vergelijken
Vraagtype 4 is alleen voor KB en GL/TL. Herhaal het vraagtype met de meeste stemmen aan het begin van les 3.
BEVOLKING · NL EN DUITSLAND
Tips voor op het examen
Natuurlijke groei is geboorte min sterfte, sociale groei is vestiging min vertrek.
Ontgroening gaat over jongeren, vergrijzing over ouderen: kijk naar de voet en de top van de piramide.
Immigratie is een land in, emigratie is een land uit.
Hoe dikker de pijl op een migratiekaart, hoe meer migranten.
Noem bij een vergelijking altijd beide landen.
This item has no instructions