TaalCompleet
(7.2)
Door de gang, langs de vergaderzaal
TaalCompleet
(7.2)
Door de gang, langs de vergaderzaal
Lesdoelen
Je kunt woorden die informatie geven over een plaats gebruiken in zinnen.
Lesindeling
startopdracht
uitleg
opdrachten maken en nakijken
extra opdrachten kiezen
spreekopdracht in tweetallen
afsluiting
Lesindeling
startopdracht
uitleg
opdrachten maken en nakijken
extra opdrachten kiezen
spreekopdracht in tweetallen
afsluiting
Wat zie je? Maak een goede zin.
Wat zie je? Maak een goede zin.
Wat zie je? Maak een goede zin.
Wat zie je? Maak een goede zin.
Lesindeling
startopdracht
uitleg
opdrachten maken en nakijken
extra opdrachten kiezen
spreekopdracht in tweetallen
afsluiting
Woorden hoe je iets zegt over een plaats
op
voor
naast
in
over
aan
onder
achter
tussen
uit
tegenover
boven
bij
op
aan de linkerkant
langs
aan het einde
in het midden
tegen
in de hoek
Lesindeling
startopdracht
uitleg
opdrachten maken en nakijken
extra opdrachten kiezen
spreekopdracht in tweetallen
afsluiting
Zelfstandig werken
Maak opdracht 15, 16, 17.
Klaar? Kijk de opdrachten na.
minute
second
Lesindeling
startopdracht
uitleg
opdrachten maken en nakijken
extra opdrachten kiezen
spreekopdracht in tweetallen
afsluiting
-->online opdracht 1, 2 en 3
--> boek opdracht 18,
online opdracht 3 en 4
-->boek opdracht 18, online opdracht 4 en herhaalopdrachten
Moeilijk?
Tussen moeilijk en makkelijk?
Makkelijk?
minute
second
Lesindeling
startopdracht
uitleg
opdrachten maken en nakijken
extra opdrachten kiezen
spreekopdracht in tweetallen
afsluiting
Werk in tweetallen
Stap 1 Leerling A verstopt een voorwerp ergens in de klas. Leerling B kijkt niet.
Bijvoorbeeld:
onder een stoel
Stap 2 Leerling B stelt vragen:
Waar is de pen?
Is de pen op de tafel?
Leerling A antwoordt alleen met hele zinnen:
Ja, de pen ligt op de tafel.
Nee, de pen ligt niet op de tafel.
Stap 3 Voorwerp gevonden? Wissel de rollen.
minute
second
Lesindeling
startopdracht
uitleg
opdrachten maken en nakijken
extra opdrachten kiezen
spreekopdracht in tweetallen
afsluiting
Wat zie je? Maak een goede zin.
Lesdoel behaald?
Je kunt woorden die informatie geven over een plaats gebruiken in zinnen.