Herhaling H1 + H2

Herhaling H1 + H2
1 / 31
next
Slide 1: Slide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 31 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Herhaling H1 + H2

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Oefenopdracht 
Meneer Draaisma moet zij auto weer gaan tanken. Deze tank bevat 45 liter aan benzine. De benzineprijs per liter is €2,22. De auto rijdt 1 op 14. Hoeveel kost het meneer Draaisma per kilometer?

Slide 3 - Slide

Uitwerking
€2,22 x 45L = €99,90
14 x 45L = 630 km
€99,90 : 630 km = €0,16

Slide 4 - Slide

Standaard formules

1.         ............................................
2.          ...........................................
3.         ...........................................

Slide 5 - Slide

Procenten/promillages

  • Procenten 1 per100
  • Promillages 1 per 1000
  • Procentpunt = absolute verschil, niet relatief!

Slide 6 - Slide

Bedrijfsleven

  • Verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag
  • Brutowinst = omzet (vp x afzet) - inkoopwaarde (ip x afzet)
  • Nettoresultaat = brutowinst - bedrijfskosten 

Slide 7 - Slide

Eerstegraads vergelijking

Een vergelijking met een onbekende variabele

Voorbeeld:
 3x = 36

Slide 8 - Slide

Gemiddelde 
  • Gewogen -> houdt rekening met het gewicht.
  • Ongewogen -> houdt geen rekening met het gewicht.


Slide 9 - Slide

Indexcijfer

  • Een getal dat aangeeft hoeveel iets in een bepaalde periode is veranderd ten opzichte van een afgesproken tijdstip. 
  • Dit afgesproken tijdstip noemen we het basisjaar en krijgt het indexcijfer 100.

Slide 10 - Slide

Indexcijfer bereken
  • Het jaar waar je vanuit gaat is het BASISJAAR (100)
  • Nieuwe indexcijfer = nieuw getal : getal in basisjaar x 100

VOORBEELD:
De prijs van een t-shirt was in 2010 € 12,50 (basisjaar) en in 2015 € 14,75. Bereken het indexcijfer van 2015.
  • >> € 14,75 : € 12,50 x 100 = 118 (indexcijfer)

Slide 11 - Slide

Voorbeeld 1







* 2014 is het basisjaar

Slide 12 - Slide

Voorbeeld 1




* 2014 is het basisjaar

Slide 13 - Slide

Balans
Belangrijkste kenmerken van een balans:

  • Er zit een linkerzijde (debet) en een rechterzijde (credit) aan de balans
  • Het is een momentopname (voorraadgrootheid)
  • De balans is altijd in evenwicht.

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Resultatenrekening


  • Winst- en verliesrekening
  • Periode-overzicht van alle opbrengsten en kosten 
  • Winst of het verlies
  • Stroomgrootheden

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Winst- & verliesrekening
(ook resultatenrekening)


  • Een winst- & verliesrekening geeft een overzicht van de kosten en opbrengsten van een bedrijf gedurende een bepaalde periode. 

  • Zijn de opbrengsten groter dan de kosten dan maakt het bedrijf winst. Zijn de kosten hoger dan de opbrengsten dan is er sprake verlies.

Slide 24 - Slide

Winst-en-verliesrekening
  • Als de winst-en-verliesrekening in balansvorm wordt opgesteld dan moet totaalbedrag debet- en creditzijde in balans zijn
  • Bereken het totaalbedrag van beide kanten. Bereken het verschil tussen beide kanten  dit is winst of verlies. Voeg de post winst of verlies toe met het berekende verschil 
  • Opbrengsten > kosten = winst 
  • Kosten > opbrengsten = verlies

Slide 25 - Slide

W-e-v in paginavorm

Slide 26 - Slide

Mutaties op de winst-en-verliesrekening 
  • De winst-en-verliesrekening wordt gemaakt aan het einde van een periode, bijvoorbeeld aan het einde van een maand
  • In de maand wordt bij ieder financieel feit bekeken of er sprake is een verandering op de winst-en-verliesrekening 
  • Zo ja, dan wordt er een mutatie (= verandering) op de winst-en-verliesrekening gemaakt  

Slide 27 - Slide

Mutaties op de winst-en-verliesrekening 
een + of - teken gebruik je niet bij winst-en-verliesrekening 
uit de omschrijving moet duidelijk blijken van wat voor kosten/ opbrengsten sprake is 
Debet en credit hoeven op een mutatiebalans w-e-v niet in balans te zijn. Mag wel als je het fijn vindt. Het verschil is de toe- of afname van het eigen vermogen als gevolg van het financiële feit

Slide 28 - Slide

Liquiditeitsoverzicht 
Geeft inzicht in het verloop van het  bedrag aan liquiditeiten (bank en kas) waarover de onderneming kan beschikken. 
 
saldo bank + kas begin van de periode (kan ook boven ontvangsten vermeld staan)

Slide 29 - Slide

Liquiditeitsoverzicht opstellen
Ga bij elke balansmutatie na of er een verandering is van de balanspost bank of kas. Tel soortgelijke ontvangsten en uitgaven bij elkaar op en neem deze op in het liquiditeitsoverzicht
 

Slide 30 - Slide

Aan de slag

 Zelftesten H1 + H2

Klaar? Nakijken!
timer
20:00

Slide 31 - Slide