Regenten en vorsten (Geschiedenis vwo), les 3: Terugblik quiz

TIJDVAK 6 · 1600-1700

Quiz

Terugblik: Regenten en vorsten

1 / 13
suivant
Slide 1: Slide
newEditorGeschiedenisMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 13 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz over tijdvak 6: de Republiek, het einde van de Gouden Eeuw, absolutisme en droit divin, en de wetenschappelijke revolutie.

Éléments de cette leçon

TIJDVAK 6 · 1600-1700

Quiz

Terugblik: Regenten en vorsten

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Hyacinthe Rigaud / Wikimedia Commons, publiek domein

Welke regent was een bekende staatsgezinde tegenstander van de Oranjes?

A

Willem van Oranje

B

Lodewijk XIV

C

Isaac Newton

D

Johan de Witt

Johan de Witt was staatsgezind, het gemeen werd Oranjegezind.

Vul in

Door haar stapelmarktfunctie kreeg Amsterdam een eigen koopmansbeurs en moest de stad uitbreiden met de grachtengordel.

stapelmarktfunctie
koopmansbeurs
grachtengordel
droogmakerij
mercantilisme

KA 25 en 24, groei van Amsterdam.

Wat is een oorlogseconomie in de Republiek?

A

Handel betaalde de strijd tegen de Habsburgers

B

De overheid nam alle handelsgoederen in beslag

C

Alleen wapens werden nog uitgevoerd

D

De VOC voerde oorlog tegen de stadhouder

Handel financierde de oorlog en verzwakte tegelijk de Spaanse handelspositie.

Wat betekent oligarchisering van het bestuur?

A

De stadhouder kreeg alle macht

B

Het gemeen kreeg stemrecht

C

Een kleine, gesloten kring van regenten kreeg de macht

D

Het bestuur werd gedeeld met de adel

Na 1672 sloten regenten zich meer af.

Wat veranderde er voor vorsten door verlichte ideeën?

A

Ze verloren het recht om te belasten

B

Ze moesten het parlement bijeenroepen

C

Ze moesten rekening houden met de publieke opinie

D

Ze mochten niets meer verbieden

Publicaties werden wel in de gaten gehouden of verboden.

Wie nam na het Rampjaar de rol van Amsterdam als handelscentrum over?

A

Londen

B

Antwerpen

C

Parijs

D

Brugge

Door concurrentie raakte de Republiek haar leidende positie kwijt aan Engeland.

Wat belemmerde de groei in het Heilige Roomse Rijk?

A

Het mercantilisme van Engeland

B

De oprichting van de VOC

C

De stadhouders van de Republiek

D

De Dertigjarige Oorlog

KA 24 en 25, context Steden en burgers.

Noem twee bronnen van nieuwe kennis.

Goed: twee van ontdekkingsreizen, ambachtelijke technieken, humanistische tekstanalyse, rationalisme van Descartes, empirisme van Locke. Verwachte fout: alleen Newton noemen.

Wat betekent het droit divin?

A

De vorst wordt gekozen door de adel

B

De vorst regeert op grond van een goddelijk recht

C

De vorst deelt de macht met het volk

D

De vorst is gebonden aan een grondwet

Het droit divin legitimeerde de centralisatie door vorsten.

Waarom kochten rijke kooplieden adellijke titels en lieten ze buitens bouwen?

A

Om hun status te verhogen

B

Omdat het de belasting verlaagde

C

Omdat de stadhouder dat eiste

D

Om de Wisselbank te kunnen gebruiken

Dat laat zien dat winst uit handel werd omgezet in sociale status.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

TIJDVAK 6 · 1600-1700

Goed gedaan!

Je kunt de kenmerkende aspecten van tijdvak 6 nu uitleggen en herkennen in een onbekende bron.

Cet élément n'a pas d'instructions