Lancering van een spaceshuttle (foto: NASA, publiek domein)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Quiz
Terugblik: Beweging en afgeleiden
Lancering van een spaceshuttle (foto: NASA, publiek domein)
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Quiz
Terugblik: Beweging en afgeleiden
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: NASA / Wikimedia Commons, publiek domein
Welke formule geeft de versnelling op één moment?
a = dx/dt
a = dv/dt
a = v/t
a = Δx/Δt
Syllabus C1.2: a is de afgeleide van v naar t. Fouten: dx/dt is de snelheid, v/t en Δx/Δt gebruiken verkeerde grootheden.
Je fietst 5,0 min met 21,6 km/h. Welke afstand leg je af?
1,8·10³ m
1,1·10² m
6,5·10³ m
30 m
Syllabus C1.1 en A15: v = 21,6/3,6 = 6,00 m/s; t = 5,0·60 = 300 s; s = v·t = 6,00·300 = 1,8·10³ m (twee significante cijfers). Fouten: niets omgerekend (21,6·5,0 = 108), alleen de snelheid niet omgerekend (21,6·300 = 6,5·10³), minuten niet omgerekend (6,0·5,0 = 30).
Een (x,t)-grafiek heeft op t = 3,0 s een horizontale raaklijn. Wat geldt dan?
De versnelling is op dat moment nul
De plaats is op dat moment nul
De snelheid is op dat moment nul
Het voorwerp beweegt eenparig
Syllabus C1.2: helling 0 betekent v = 0. Fout: de helling van (x,t) met de versnelling verwarren.
Voor een kar geldt x = 0,50·t² (SI-eenheden). Bereken vgem tussen t = 2,0 s en 4,0 s.
2,0 m/s
3,0 m/s
4,0 m/s
6,0 m/s
Syllabus C1.2: vgem = Δx/Δt. x(4,0) = 8,0 m, x(2,0) = 2,0 m; Δx = 6,0 m in 2,0 s geeft 3,0 m/s. Fouten: x/t op t = 4,0 s (8,0/4,0 = 2,0), de momentane snelheid op t = 4,0 s (v = 1,0·t = 4,0), Δx niet gedeeld door Δt (6,0).
Voor een kar geldt x = 2,0·t² + 3,0·t (SI-eenheden). Bereken v op t = 2,0 s.
7,0 m/s
14 m/s
8,0 m/s
11 m/s
Syllabus C1.2 en A12: v = 4,0·t + 3,0; op t = 2,0 s: 8,0 + 3,0 = 11 m/s. Fouten: de factor 2 vergeten (2,0·2,0 + 3,0 = 7,0), de plaats zelf (8,0 + 6,0 = 14), de laatste term vergeten (8,0). Antwoord in twee significante cijfers, zoals de gegevens.
De raaklijn aan een (v,t)-grafiek wordt steeds vlakker. Wat betekent dat?
De snelheid neemt af
De plaats blijft gelijk
De versnelling is constant
De versnelling neemt af
Syllabus C1.2: de helling van (v,t) is a. Een steeds vlakkere raaklijn is een afnemende a, zoals bij een valbeweging met wrijving. Fout: helling en waarde van v verwisselen.
Zet op volgorde: a op één moment uit een gegeven x(t)
Syllabus C1.2 en A12: v = dx/dt en a = dv/dt; het moment vul je pas na het differentiëren in, zoals in de uitleg.
Fietsers op 450 m afstand rijden elkaar tegemoet met 5,0 en 4,0 m/s. Wanneer passeren ze?
4,5·10² s
5,0·10¹ s
90 s
1,0·10² s
Syllabus C1.1: de afstand neemt per seconde af met 5,0 + 4,0 = 9,0 m; t = 450/9,0 = 50 s, met twee significante cijfers 5,0·10¹ s. Fouten: het snelheidsverschil (450/1,0), alleen de snelste fietser (450/5,0 = 90), de gemiddelde snelheid (450/4,5 = 1,0·10²).
Een voorwerp beweegt volgens x = 20 - 2,0·t (SI-eenheden). Wat geldt?
Het beweegt met 2,0 m/s in de positieve richting
Het staat stil op 20 m van de oorsprong
Het beweegt met 2,0 m/s in de negatieve richting
Het versnelt met 2,0 m/s²
Syllabus C1.2: v = dx/dt = -2,0 m/s; a = 0. Fouten: het teken negeren, de beginplaats lezen als stilstaan, v en a verwisselen.
Eenheid van de oppervlakte onder v(t)?
Goed antwoord: meter (m), want m/s · s = m; het is de verplaatsing. Verwachte fout: m/s of m/s².
Je rijdt 1,0 uur met 90 km/h en daarna 2,0 uur met 60 km/h. Bereken vgem.
70 km/h
75 km/h
1,5·10² km/h
23 km/h
Syllabus C1.2: vgem = Δx/Δt = (90 + 120)/3,0 = 70 km/h. Fouten: het gemiddelde van de twee snelheden (75), de snelheden optellen (1,5·10²), de gemiddelde snelheid nog eens door 3,0 delen (23).
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF · C1 · KRACHT EN BEWEGING
Goed gedaan!
Je kunt nu met afgeleiden, raaklijnen en oppervlakte beweging in diagrammen en functies analyseren.
Cet élément n'a pas d'instructions