Rekenen, meten en modellen (Natuurkunde havo), les 3: Terugblik quiz

De aarde, gefotografeerd door Apollo 17 in 1972 (NASA, publiek domein)

EXAMENSTOF · A · REKENEN EN MODELLEN

Quiz

Terugblik: Rekenen, meten en modellen

1 / 15
suivant
Slide 1: Slide
newEditorNatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 15 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Quiz met 12 vragen over rekenen, meten en modellen: significante cijfers, voorvoegsels, orde van grootte, grafieken en trendlijnen.

Éléments de cette leçon

De aarde, gefotografeerd door Apollo 17 in 1972 (NASA, publiek domein)

EXAMENSTOF · A · REKENEN EN MODELLEN

Quiz

Terugblik: Rekenen, meten en modellen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Harrison Schmitt / Apollo 17 / NASA, Wikimedia Commons, publiek domein

Een kabel bestaat uit stukken van 2,45 m, 0,8 m en 1,255 m. Wat is de totale lengte?

A

4,505 m

B

4,51 m

C

4,5 m

D

5 m

Syllabus A8.3. Som: 2,45 + 0,8 + 1,255 = 4,505 m. Het gegeven 0,8 heeft 1 decimaal, dus 4,5 m. Fouten: niet afronden (4,505), 2 of 3 decimalen (4,51), te grof (5).

Wat is 47 mm in SI-grondeenheden?

A

4,7·10⁻³ m

B

4,7·10⁻² m

C

4,7·10⁻¹ m

D

4,7·10² m

Syllabus A15.2. 1 mm = 10⁻³ m, dus 47 mm = 47·10⁻³ m = 4,7·10⁻² m. Fouten: de macht van milli gebruiken zonder de 47 te herschrijven (4,7·10⁻³), een factor 10 mis (4,7·10⁻¹), de verkeerde richting (4,7·10²).

Welke eenheid heeft het vermogen P in SI-grondeenheden?

A

kg·m²/s²

B

kg·m/s³

C

kg·m/s²

D

kg·m²/s³

Syllabus A15.2. P = E/t, dus W = J/s. Met J = kg·m²/s² (uit E = F·s en N = kg·m/s²) is W = kg·m²/s³. Fouten: de eenheid van energie (kg·m²/s²) of van kracht (kg·m/s²) noemen.

Bij gelijke spanning wordt de weerstand R vier keer zo groot. Wat gebeurt er met I?

A

I wordt vier keer zo groot

B

I wordt twee keer zo klein

C

I wordt zestien keer zo klein

D

I wordt vier keer zo klein

Syllabus A12.2 en A15.3. U = I·R, dus I = U/R: omgekeerd evenredig. Fouten: rechtevenredig (4 keer zo groot), een wortel nemen (2 keer zo klein), kwadratisch redeneren (16 keer zo klein).

Welke orde van grootte past bij de dikte van een A4-vel papier?

A

10⁻² m

B

10⁻⁴ m

C

10⁻³ m

D

10⁻⁶ m

Syllabus A15.1. Een vel papier is ongeveer 0,1 mm dik, dus 1·10⁻⁴ m. Fouten: een te grote orde (10⁻² of 10⁻³ is een centimeter of een millimeter) of een te kleine (10⁻⁶ is de grootte van een bacterie).

Vul in

Een lijn die de meetpunten beschrijft heet een trendlijn. Aflezen binnen het meetbereik heet interpoleren, buiten het meetbereik extrapoleren en dat is minder betrouwbaar.

trendlijn
interpoleren
extrapoleren
evenredigheid
raaklijn

Syllabus A12.2. Fout: interpoleren en extrapoleren verwisselen.

Wat is de temperatuurstijging tussen t = 1,0 h en t = 4,0 h?

A

0,6 °C

B

3,0 °C

C

1,8 °C

D

38,4 °C

Syllabus A12.2 (asonderbreking). Bij 1,0 h is T = 36,6 °C, bij 4,0 h is T = 38,4 °C. Verschil 38,4 − 36,6 = 1,8 °C. Let op: de as begint bij 36 °C. Fouten: de stijging bij t = 0 tot 1 h (0,6), het tijdsverschil (3,0), de eindwaarde (38,4). Image credit: Eigen figuur

Een afkoelmodel voor thee klopt de eerste 10 min, na 40 min niet meer. Wat is dat?

A

40 min ligt buiten het geldigheidsgebied

B

Het model is op elk moment onbruikbaar

C

De meting na 40 min is zeker fout

D

Het model heeft een te hoge helling

Syllabus A7.3. Een model klopt binnen het geldigheidsgebied; daarbuiten kun je het niet gebruiken zonder aanpassing. Fouten: het hele model afschrijven, de meting wantrouwen.

Zet op volgorde van klein naar groot

1

0,0020 km

2

3,0 cm

3

4,5 μm

4

2,0 mm

Syllabus A15.2. In meters: 4,5·10⁻⁶ m, 2,0·10⁻³ m, 3,0·10⁻² m en 2,0 m. Fout: de voorvoegsels (μ, m, c, k) niet omrekenen.

Welk onderdeel hoort bij de pomp in de analogie van waterkring en stroomkring?

A

De weerstand

B

De spanningsbron

C

De stroomsterkte

D

De draad

Domein H en A7. De pomp zorgt voor de stroming, zoals de spanningsbron voor de stroom. De vernauwing hoort bij de weerstand en de buis bij de draad.

U (V) staat op de y-as, I (A) op de x-as. Wat is de helling van de grafiek?

A

Het vermogen, in W

B

De stroomsterkte, in A

C

De energie, in J

D

De weerstand, in Ω

Syllabus A15.2. Helling = ΔU/ΔI, eenheid V/A = Ω. Fout: het vermogen (U·I) is een oppervlakte, geen helling.

Bereken E in kJ: P = 0,75 kW, t = 2,0 min.

E = P·t met P = 0,75 kW = 7,5·10² W en t = 2,0 min = 1,2·10² s. E = 7,5·10² · 1,2·10² = 9,0·10⁴ J = 9,0·10¹ kJ, in 2 significante cijfers. Fouten: minuten niet omrekenen (1,5 kJ) of kW niet omrekenen (0,090 kJ).

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · A · REKENEN EN MODELLEN

Goed gedaan!

Je rekent netjes met eenheden en significante cijfers, controleert een uitkomst met een schatting en beoordeelt een grafiek, een model of een onderzoek. Dat helpt bij elk onderwerp van het examen.

Cet élément n'a pas d'instructions