Helium, neon, argon, krypton en xenon in gasontladingsbuizen (foto: Alchemist-hp, CC BY-SA 2.0 de)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Examentraining
Atoombouw en periodiek systeem: zo pak je examenvragen aan
Helium, neon, argon, krypton en xenon in gasontladingsbuizen (foto: Alchemist-hp, CC BY-SA 2.0 de)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Examentraining
Atoombouw en periodiek systeem: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Alchemist-hp / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0 de
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over atoombouw, isotopen, elektronenconfiguratie en covalentie beantwoorden met gegevens uit de vraag.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: schrijf op wat gegeven is (protonen, neutronen, elektronen, atoomnummer, massagetal, lading).
2. Reken of redeneer: gebruik neutronen = massagetal − atoomnummer en lading = protonen − elektronen.
3. Controleer: klopt het totaal aantal elektronen met de configuratie, en klopt de afronding?
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Vraagtype 1: deeltjes tellen in ionen
Bij een ion tel je: protonen = atoomnummer, elektronen = protonen − lading.
Een positief ion heeft minder elektronen dan protonen, een negatief ion meer.
Cet élément n'a pas d'instructions
Een Ca²⁺-ion in kalk heeft atoomnummer 20. Hoeveel elektronen heeft het?
20
22
18
38
Ca²⁺ is positief: twee elektronen minder dan de 20 protonen, dus 18. Fouten: 20 (lading vergeten), 22 (teken omgedraaid), 38 (massagetal-achtig getal).
Een deeltje heeft 16 protonen, 16 neutronen en 18 elektronen. Welk deeltje is dat?
S²⁻
S²⁺
S⁻
Ar
16 protonen is zwavel; twee elektronen meer dan protonen geeft lading 2−. Fouten: S²⁺ (teken verwisseld), S⁻ (lading verkeerd geteld), Ar (op 18 elektronen gelet in plaats van 18 protonen).
Kristallen van jood, een halogeen (foto: Paul from Enschede, CC BY-SA 2.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Vraagtype 2: isotopen en gemiddelde massa
Isotopen: zelfde aantal protonen, verschillend aantal neutronen.
Gemiddelde atoommassa = som van (fractie × massa) van elke isotoop. Rond af op het kleinste aantal significante cijfers.
Image credit: Paul from Enschede / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
A: 6p 6n, B: 6p 8n, C: 7p 7n, D: 8p 7n. Welke twee zijn isotopen?
B en C
A en B
C en D
A en C
A en B hebben allebei 6 protonen en verschillen in neutronen. B en C hebben hetzelfde massagetal (14) maar andere atoomsoorten; C en D hebben evenveel neutronen maar andere atoomsoorten.
Boor: 19,9% van 10,0 u en 80,1% van 11,0 u. Gemiddelde massa?
10,5 u
10,2 u
21,0 u
10,8 u
0,199 × 10,0 = 1,990 en 0,801 × 11,0 = 8,811; samen 10,801. Drie significante cijfers: 10,8 u. Fouten: 10,5 (niet gewogen), 10,2 (percentages omgedraaid: 0,801 × 10,0 + 0,199 × 11,0 = 10,199), 21,0 (opgeteld).
Helium, neon, argon, krypton en xenon in gasontladingsbuizen (foto: Alchemist-hp, CC BY-SA 2.0 de)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Vraagtype 3: configuratie en plaats
Vul de schillen van binnen naar buiten: 2, dan 8, dan 8.
Het aantal schillen is het periodenummer, het laatste getal vertelt iets over de groep.
Image credit: Alchemist-hp / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0 de
Een neutraal aluminiumatoom heeft atoomnummer 13. Welke configuratie hoort erbij?
2,8,3
2,3,8
2,10,1
2,8,2
13 elektronen: 2 in schil 1, 8 in schil 2, 3 in schil 3. Fouten: 2,3,8 (volgorde omgedraaid), 2,10,1 (schil 2 te vol), 2,8,2 (een elektron vergeten).
Neonlicht komt uit een buis met een edelgas met configuratie 2,8. In welke periode staat het?
Periode 8
Periode 10
Periode 2
Periode 3
Twee schillen: periode 2 (neon, atoomnummer 10). Fouten: 8 (laatste getal), 10 (atoomnummer), 3 (schillen plus een).
Eenkristal van silicium voor chips en zonnecellen (foto: ArticCynda, CC0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Vraagtype 4: covalentie gebruiken
Zoek de groep op: groep 14 geeft covalentie 4, groep 15 geeft 3, groep 16 geeft 2, groep 17 en H geven 1.
Een atoom vormt zoveel atoombindingen als zijn covalentie.
Image credit: ArticCynda / Wikimedia Commons, CC0
In een molecuul zit één Si-atoom, dat alleen aan H-atomen bindt. Hoeveel H-atomen?
1
2
4
3
Silicium staat in groep 14, covalentie 4, dus vier H-atomen (covalentie 1). Verwachte fout: 2 of 3 uit verwarring met O of N.
Een molecuul heeft één C-atoom en alleen Cl-atomen. Wat is de formule?
CCl₄
CCl
CCl₂
C₄Cl
Koolstof heeft covalentie 4, chloor covalentie 1: CCl₄. Fouten: CCl en CCl₂ (covalentie van C vergeten), C₄Cl (indices omgedraaid).
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Deeltjes tellen in ionen
Isotopen en gemiddelde massa
Configuratie en plaats
Covalentie gebruiken
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · MATERIE · ATOOMBOUW
Tips voor op het examen
Schrijf bij elke vraag eerst de gegevens op: protonen, neutronen, elektronen.
Controleer bij ionen altijd het teken van de lading: positief is minder elektronen.
Bij een gemiddelde massa weeg je met de percentages, en je rondt af op het juiste aantal significante cijfers.
Cet élément n'a pas d'instructions