Oscilloscoop met een signaal (foto: Unnerving duck, CC0)
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Examentraining
Trillingen en resonantie: zo pak je examenvragen aan
Oscilloscoop met een signaal (foto: Unnerving duck, CC0)
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Examentraining
Trillingen en resonantie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Unnerving duck / Wikimedia Commons, CC0
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan T en f bepalen uit een oscillogram en cardiogram, rekenen aan een massa-veersysteem en resonantie herkennen.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven, wat wordt gevraagd en welke eenheden staan er?
2. Kies: f = 1/T of T = 2π·√(m/C)?
3. Reken om: ms naar s, cm naar m, minuut naar s.
4. Controleer: past de uitkomst en heeft ze het juiste aantal cijfers?
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Vraagtype 1: aflezen uit een oscillogram
T = aantal hokjes per periode × tijdbasis.
Reken ms om naar s en gebruik f = 1/T.
Let op: tel hele perioden, niet alleen één hokje.
Syllabus B1.5, context oscillogram.
Het oscillogram heeft tijdbasis 0,50 ms/div. Bepaal de frequentie.
2,0·10³ Hz
1,0·10³ Hz
5,0·10² Hz
2,0 Hz
Periode is 4,0 hokjes: T = 4,0 × 0,50 ms = 2,0 ms, f = 1/(2,0·10⁻³ s) = 5,0·10² Hz. Afleiders: één hokje als periode (2,0·10³), twee hokjes (1,0·10³) en ms als s (2,0). Controle: 1/0,0020 = 500. Image credit: Eigen figuur
Op een scherm staan 6,0 perioden over 9,0 hokjes van 2,0 ms. Bepaal f.
3,3·10² Hz
56 Hz
6,7·10² Hz
0,33 Hz
T = 9,0 × 2,0 ms / 6,0 = 3,0 ms; f = 1/0,0030 = 3,3·10² Hz. Afleiders: niet delen door 6 (56 Hz), niet vermenigvuldigen met 2 (6,7·10²), ms als s (0,33). Controle: 18/6 = 3,0 ms; 1/0,0030 = 333,3.
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Vraagtype 2: aflezen uit een cardiogram
De tijd tussen twee pieken is T.
Hartslag per minuut = 60 s / T.
Tel perioden tussen de pieken, niet de pieken zelf.
Syllabus B1.5, context cardiogram.
Bepaal uit het cardiogram de hartslag in slagen per minuut.
48 slagen per minuut
75 slagen per minuut
1,3 slagen per minuut
0,80 slagen per minuut
Pieken op 0,4 s en 1,2 s: T = 0,80 s. Hartslag = 60/0,80 = 75 per minuut. Afleiders: 0,80 × 60 = 48, f = 1,25 Hz als per minuut en T zelf. Controle: 0,8 × 75 = 60. Image credit: Eigen figuur
Hartslag 90 per minuut. Bereken T in s.
T = 60/90 = 0,67 s (twee significante cijfers). Verwachte fout: 90/60 = 1,5 s. Controle: 0,667 × 90 = 60.
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Vraagtype 3: rekenen aan het massa-veersysteem
T = 2π·√(m/C) staat in je informatieboek.
Herleiden naar C: C = 4π²·m/T².
Gebruik m in kg en C in N/m.
Syllabus B1.2, berekeningen aan de eigentrilling.
Een massa van 0,250 kg hangt aan een veer met C = 8,0 N/m. Bereken T.
0,20 s
0,18 s
36 s
1,1 s
T = 2π·√(0,250/8,0) = 2π·0,1768 = 1,11 s, dus 1,1 s. Afleiders: wortel vergeten (0,20), 2π vergeten (0,18) en m en C omgedraaid (36). Controle: √0,03125 = 0,17678; × 6,2832 = 1,1107.
De massa is 0,250 kg. Bepaal uit het diagram de veerconstante.
3,9 N/m
6,2 N/m
15 N/m
0,098 N/m
Uit het diagram T = 1,6 s (twee toppen op 0 en 1,6 s). C = 4π²·m/T² = 39,48 × 0,250/2,56 = 3,9 N/m. Afleiders: T niet gekwadrateerd (6,2), halve periode 0,8 s gebruikt (15) en 4π² vergeten (0,098). Controle: 9,8696/2,56 = 3,855. Image credit: Eigen figuur
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Vraagtype 4: redeneren en resonantie
f hangt af van m en C: f = (1/2π)·√(C/m).
4 keer zo grote C geeft 2 keer zo grote f.
Resonantie: aanstootfrequentie gelijk aan eigenfrequentie.
Syllabus B1.2: evenredigheden en resonantie.
Aan dezelfde veer hangt een 4 keer zo grote massa. Wat gebeurt er met f?
f wordt 2 keer zo groot
f wordt 4 keer zo groot
f wordt 2 keer zo klein
f wordt 4 keer zo klein
f = (1/2π)·√(C/m): f is omgekeerd evenredig met √m, dus √4 = 2 keer zo klein. Fout: rechtevenredig (4) of de verkeerde richting (groter). Syllabus B1.2.
Een wasmachine schudt hevig bij één toerental. Wat geldt dan?
Draaifrequentie groter dan eigenfrequentie
Draaifrequentie kleiner dan eigenfrequentie
Draaifrequentie gelijk aan eigenfrequentie
Draaifrequentie gelijk aan trillingstijd
Resonantie: de aanstoting door de draaiende trommel heeft de eigenfrequentie van de machine. De andere opties zijn typische verwarringen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Aflezen uit een oscillogram
Aflezen uit een cardiogram
Rekenen aan het massa-veersysteem
Redeneren en resonantie
Bespreek het meest gekozen type nog een keer.
EXAMENSTOF · B1 · TRILLINGEN
Tips voor op het examen
Zet de eenheden in SI voor je rekent: ms naar s, cm naar m.
Geef je antwoord met het juiste aantal significante cijfers en de eenheid.
Controleer of T en f bij elkaar passen: f = 1/T.
Cet élément n'a pas d'instructions