Sparen, lenen en pensioen (Economie havo), les 1: Uitleg

TIJD · SPAREN EN LENEN

Sparen, lenen en pensioen

Examenstof economie havo

1 / 24
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 24 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Uitleg van stroom en voorraad, levensfasen en tijdsvoorkeur, sparen en lenen, rente en reële rente, onderpand en hypotheek en pensioen via omslag of kapitaaldekking, met rekenvoorbeelden met ronde getallen.

Éléments de cette leçon

TIJD · SPAREN EN LENEN

Sparen, lenen en pensioen

Examenstof economie havo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: E1.1 t/m 1.5, E3.1, G3.1 en 3.2. Image credit: Sandra Fauconnier / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

TIJD · SPAREN EN LENEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan uitleggen en doorrekenen hoe gezinnen over de tijd ruilen: sparen, lenen, rente, onderpand en pensioen.

Cet élément n'a pas d'instructions

Welke woorden komen bij je op bij: geld sparen of lenen?

Verwacht: spaarrekening, rente, schuld, hypotheek, studieschuld, pensioen, bank, aflossen. Groepeer ze rond nu of later: dat is ruil over de tijd, de rode draad van deze les.

TIJD · SPAREN EN LENEN

Inkomsten, uitgaven en vermogen van een gezin in drie jaar

Inkomsten, uitgaven, vermogen

  • Inkomsten en uitgaven meet je over een periode, bijvoorbeeld per jaar: stroomgrootheden.

  • Vermogen en schulden meet je op één moment, bijvoorbeeld op 31 december: voorraadgrootheden.

  • Vermogen eind = vermogen begin + inkomsten min uitgaven.

  • Jaar 3: de uitgaven zijn hoger dan de inkomsten, dus het vermogen wordt negatief: een schuld.

Controle van de tabel: jaar 1: 5.000 + 40.000 min 38.000 = 7.000. Jaar 2: 7.000 + 40.000 min 42.000 = 5.000. Jaar 3: 5.000 + 40.000 min 46.000 = min 1.000. In de tabel is vermogen het saldo (netto); in het echt heeft een gezin vermogen en schulden naast elkaar. Veelgemaakte fout: inkomsten en vermogen door elkaar halen, of vergeten dat vermogen op een moment wordt gemeten. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

TIJD · SPAREN EN LENEN

Vermogen in de levensfasen: lenen, aflossen en sparen, interen

Levensfasen en tijdsvoorkeur

  • Elke levensfase heeft eigen inkomsten en uitgaven: jong, werkend en gepensioneerd.

  • Jongeren lenen vaak, werkenden lossen af en sparen, gepensioneerden interen op hun vermogen.

  • Tijdsvoorkeur: hoeveel waarde je hecht aan consumptie nu ten opzichte van later.

  • Wie vooral nu wil consumeren, leent eerder en spaart minder. Wie later belangrijker vindt, spaart meer.

De grafiek is een globale schets zonder getallen: de keuzes in elke fase werken door op vermogen en schulden. Tijdsvoorkeur verschilt per persoon, ook binnen dezelfde levensfase. Veelgemaakte fout: denken dat iedereen in dezelfde fase dezelfde keuze maakt. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

TIJD · SPAREN EN LENEN

Studenten in een collegezaal van de VU, Amsterdam, 1987

Studieschuld: lenen voor later

  • Wie gaat studeren, leent vaak om nu te kunnen leren: een studieschuld.

  • Onderwijs bouwt menselijk kapitaal op: kennis en vaardigheden waarmee je later meer verdient.

  • Met dat latere inkomen los je de schuld af: ruil over de tijd.

  • Studiebeurzen en bekostiging van onderwijs door de overheid zijn ook investeringen in menselijk kapitaal.

Verplichte context onderwijs en menselijk kapitaal: kennis over de context zelf wordt niet verwacht, het gaat om de redenering lenen nu, aflossen later. Veelgemaakte fout: de studieschuld zien als gewone uitgave in plaats van als lening die op latere inkomsten wordt terugbetaald. Image credit: Bart Molendijk / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

Welke grootheid is een stroomgrootheid?

A

De schuld van een gezin op 1 januari

B

Het spaartegoed van een gezin op 31 december

C

De waarde van het huis van een gezin nu

D

Het inkomen van een gezin over de maand mei

Een stroom meet je over een periode, een voorraad op een moment. De andere drie zijn momentopnamen. Verwachte fout: een bedrag in euro automatisch een stroom noemen.

Vul in

Wie nu liever consumeert dan later, heeft een grote tijdsvoorkeur en zal eerder lenen dan sparen.

tijdsvoorkeur
lenen
onderpand
inflatie

Grote voorkeur voor nu: meer lenen en minder sparen.

TIJD · SPAREN EN LENEN

Spaarvarken als gevelkunst in Rotterdam Zuid

Sparen en lenen: nu of later

  • Sparen is een deel van je inkomen nu niet uitgeven: je stelt consumptie uit.

  • Sparen legt beslag op consumptie en productie in de toekomst: later koop je meer.

  • Lenen is nu meer uitgeven dan je inkomen: je legt beslag op consumptie en productie nu.

  • Wie leent, moet later aflossen en kan dan minder consumeren.

Wie leent, vraagt de producenten nu iets te maken wat hij nog niet kan betalen; wie spaart, laat de productie nu liggen en vraagt later om productie. Veelgemaakte fout: denken dat sparen alleen met geld te maken heeft en niet met wat er later geproduceerd en geconsumeerd wordt. Image credit: Sandra Fauconnier / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

TIJD · SPAREN EN LENEN

10.000 euro bij 5% rente per jaar, drie jaar lang

Rente: de prijs van uitstel

  • Rente is de prijs voor ruil over de tijd: de spaarder ontvangt haar, de lener betaalt haar.

  • Rente vergoedt uitstel van consumptie, inflatierisico en het risico van wanbetaling (niet terugbetalen).

  • Voorbeeld: 10.000 euro tegen 5% per jaar wordt na 1 jaar 10.500 en na 2 jaar 11.025.

  • Rente over rente: in jaar 2 is de rente 5% van 10.500, dus 525 euro.

Controle: 10.000 x 1,05 = 10.500. 10.500 x 1,05 = 11.025. Na 3 jaar 11.025 x 1,05 = 11.576,25. De as van de grafiek begint bij 9.000, let daarop bij het aflezen. Verzonnen rente, geen actueel rentecijfer. Veelgemaakte fout: de rente elk jaar over het beginbedrag berekenen. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

TIJD · SPAREN EN LENEN

Nominale rente, inflatie en reële rente in drie jaren

Inflatie en reële rente

  • Inflatie is de gemiddelde prijsstijging: met hetzelfde geld koop je later minder.

  • Een spaarder loopt inflatierisico: de rente moet dat verlies aan koopkracht compenseren.

  • Reële rente in % = nominale rente in % min inflatie in % (bij kleine veranderingen).

  • Jaar C: nominale rente 2%, inflatie 4%, reële rente -2%: de koopkracht van het spaargeld daalt.

Nominaal is het percentage dat op de rekening staat, reëel is het percentage na correctie voor inflatie. Jaar A: 4 min 1 = 3. Jaar B: 3 min 3 = 0. Jaar C: 2 min 4 = min 2. De formule geldt alleen bij kleine veranderingen. Veelgemaakte fout: de inflatie optellen bij de nominale rente. Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Wat laat de reële rente zien?

A

Wat de bank bij het sparen minimaal uitkeert

B

Wat de rente na correctie voor inflatie echt oplevert

C

De rente die de lener over het onderpand betaalt

D

De rente die in het eerste jaar wordt bijgeschreven

Reële rente = nominale rente min inflatie: het rendement in koopkracht. Verwachte fout: reële rente verwarren met de rente op de rekening.

Nominale en reële rente: wat is het verschil?

Goed antwoord: nominaal is het percentage op de rekening, reëel is dat percentage min de inflatie. Verwachte fout: alleen zeggen dat reëel de echte rente is zonder inflatie te noemen.

TIJD · SPAREN EN LENEN

Wat beïnvloedt sparen en lenen?

  • Hogere rente: sparen wordt aantrekkelijker en lenen duurder, dus gezinnen sparen meer en lenen minder.

  • Hogere inflatie bij gelijke rente: de reële rente daalt, dus sparen loopt meer koopkracht mis.

  • Hoogconjunctuur: zekerder baan en inkomen, gezinnen lenen sneller. Laagconjunctuur: onzekerder, gezinnen sparen meer en lenen minder.

  • Consumentenvertrouwen: verwachten gezinnen goede tijden, dan lenen en consumeren ze meer. Weinig vertrouwen: meer sparen.

Dit zijn tendensen: het gaat om de richting van de reactie, geen getallen. Bij de conjunctuur en het consumentenvertrouwen speelt verwachting mee. Veelgemaakte fout: denken dat een lage rente altijd tot meer sparen leidt.

TIJD · SPAREN EN LENEN

Een huis wordt te koop gezet in Schagen, 2023

Onderpand en hypotheek

  • Een kredietgever loopt het risico op wanbetaling: de lener kan niet meer aflossen.

  • Onderpand is bezit dat de bank mag verkopen bij wanbetaling: het risico voor de bank wordt kleiner.

  • Bij een hypotheek is het gekochte huis het onderpand.

  • Minder risico voor de bank betekent vaak een lagere rente voor de lener.

Verplichte context huis en hypotheek: kennis over de context zelf wordt niet verwacht. Het gaat om de redenering: lenen om nu te kopen, het huis als zekerheid. Veelgemaakte fout: denken dat onderpand de kans op wanbetaling verkleint in plaats van het verlies voor de bank. Image credit: Makelaarsland Nederland / Wikimedia Commons, CC0

Vul in

Betaalt een lener niet terug, dan is er wanbetaling; de bank verkoopt dan het onderpand om haar geld terug te krijgen.

wanbetaling
onderpand
inflatie
tijdsvoorkeur

Wanbetaling is niet terugbetalen. Onderpand verkleint het verlies van de bank.

TIJD · SPAREN EN LENEN

Omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel naast elkaar

Omslagstelsel en kapitaaldekking

  • Werkenden betalen premie aan een pensioenfonds, gepensioneerden krijgen pensioeninkomen.

  • Omslagstelsel: de premies van nu betalen direct de uitkeringen van nu. Er is geen spaarpot.

  • Kapitaaldekkingsstelsel: de premie wordt gespaard en belegd, later krijg je uitkering uit je eigen pot.

  • Omslag is ruil tussen generaties, kapitaaldekking is ruil over de tijd door dezelfde persoon.

Beide stelsels zijn intertemporele ruil: werkenden dragen nu een deel van hun inkomen af voor inkomen na hun werkzame leven. Veelgemaakte fout: denken dat bij het omslagstelsel ook een spaarpot bestaat. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

TIJD · SPAREN EN LENEN

Bejaarden demonstreren voor meer AOW in de Irenehal, Utrecht, 1964

AOW en vergrijzing

  • De AOW is een basispensioen voor alle burgers, geregeld door de overheid.

  • De AOW werkt via het omslagstelsel: verplichte solidariteit tussen generaties.

  • Vergrijzing: er komen meer ouderen en relatief minder werkenden die premie betalen.

  • Dilemma: omslag komt onder druk bij vergrijzing, kapitaaldekking vraagt sparen en heeft beleggingsrisico.

Bij vergrijzing moeten werkenden meer premie betalen of de uitkering moet lager. Bij kapitaaldekking hangt de uitkering af van wat het fonds met de pot verdient. Er worden geen actuele bedragen of leeftijden verwacht. Veelgemaakte fout: denken dat de AOW uit een persoonlijke spaarpot komt. Image credit: Eric Koch / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

Vul in

In het omslagstelsel betalen werkenden met hun premie de uitkeringen van nu, zonder spaarpot.

omslagstelsel
premie
kapitaaldekkingsstelsel
rente

Omslag: premies van nu betalen uitkeringen van nu.

Zet op volgorde: pensioen via kapitaaldekking

1

De werkende betaalt premie

2

De werkende gaat met pensioen

3

Het fonds spaart en belegt de premie

4

Het fonds keert uit de eigen pot uit

Eerst premie, dan sparen en beleggen, dan pensionering, dan uitkering.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Stroom en voorraad

2

Rente en reële rente

3

Onderpand en risico

4

Omslag en kapitaaldekking

Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.

Wat is tijdsvoorkeur? Leg het kort uit

Goed antwoord: hoeveel waarde iemand hecht aan consumptie nu ten opzichte van later. Verwachte fout: tijdsvoorkeur verwarren met de hoogte van de rente.

TIJD · SPAREN EN LENEN

Begrippen (1/2)

  • stroomgrootheid en voorraadgrootheid: Inkomsten en uitgaven gelden over een periode, vermogen en schulden op een moment.

  • levensfase: Periode met een eigen patroon van inkomsten en uitgaven: jong, werkend, gepensioneerd.

  • tijdsvoorkeur: Hoeveel waarde je hecht aan consumptie nu ten opzichte van later.

  • sparen en lenen: Sparen stelt consumptie uit, lenen haalt consumptie naar voren.

  • rente: Prijs voor ruil over de tijd: vergoeding voor uitstel, inflatierisico en wanbetaling.

Cet élément n'a pas d'instructions

TIJD · SPAREN EN LENEN

Begrippen (2/2)

  • inflatie en reële rente: Reële rente = nominale rente min inflatie (bij kleine veranderingen).

  • onderpand: Bezit dat de kredietgever mag verkopen bij wanbetaling, bijvoorbeeld bij een hypotheek.

  • omslagstelsel: De premies van nu betalen de pensioenuitkeringen van nu.

  • kapitaaldekkingsstelsel: Premies worden gespaard en belegd voor de latere uitkering aan dezelfde persoon.

  • AOW: Basispensioen voor alle burgers, via het omslagstelsel gefinancierd.

Cet élément n'a pas d'instructions