4VWO Rekenen met zouten oefenen

H4 Rekenen aan zoutoplossingen
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

H4 Rekenen aan zoutoplossingen

Slide 1 - Tekstslide

1) Hoeveel mol chloride-ionen zit in 600 ml 0,30 M natriumchloride oplossing?

Slide 2 - Open vraag

Uitwerking vraag 1: Hoeveel mol chloride-ionen zit in 600 ml 0,30 M natriumchloride oplossing?
M=n/V dus n=MxV
0,600 L x 0,30 M = 0,18 mol


 

Slide 3 - Tekstslide

2) Hoeveel mol chloride ionen zitten in 600 ml 0,30 M calciumchloride oplossing (denk aan de oplosvergelijking)?
A
0,18 mol
B
0,09 mol
C
0,36 mol
D
0,50 mol

Slide 4 - Quizvraag

Uitwerking vraag 2: Hoeveel mol chloride ionen zitten in 600 ml 0,30 M calciumchloride oplossing (denk aan de oplosvergelijking)?
CaCl2(s) → Ca2+(aq) + 2Cl-(aq)
0,600L x 0,30M x 2 = 0,36 mol

Slide 5 - Tekstslide

3) Je meet 70 ml van een voorraadoplossing van 0,35 M natriumhydroxide af en doet daar 1,00 L water bij. Bereken de molariteit van de verdunde oplossing.

Slide 6 - Open vraag

Uitwerking vraag 3: Je meet 70 ml van een voorraadoplossing van 0,35 M natriumhydroxide af en doet daar 1,00 L water bij. Bereken de molariteit van de verdunde oplossing.
M=n/V dus n=MxV
0,070ml x 0,35M=0,0245 mol dit is 0,0245 mol/1,07 L= 0,0229mol/L is 0,023 M

Slide 7 - Tekstslide

4) Bereken de concentratie kaliumionen in een maatkolf waarin 0,30g kaliumcarbonaat is opgelost tot 200,0 mL.
Schrijf eerst de oplosvergelijking op.

Slide 8 - Open vraag

Antwoord vraag 4: Bereken de concentratie kaliumionen in een maatkolf waarin 0,30g kaliumcarbonaat is opgelost tot 200,0 mL.
Schrijf eerst de oplosvergelijking op.

K2CO3(s) → 2K+(aq) + CO32-(aq)
Aantal mol: (0,30:138,21)x2=4,34.10-3 mol
4,34.10-3:0,200=0,0217=0,022 mol/L

Slide 9 - Tekstslide

Carla wil 1,39 gram loodchloride bereiden. Zij heeft de beschikking over 0,100 M loodnitraatoplossing en een 0,100 M natriumchloride oplossing.
5) Geef de vergelijking van de reactie die optreedt als je beide oplossingen bij elkaar voegt.

Slide 10 - Open vraag

Antwoord vraag 5: Carla wil 1,39 gram loodchloride bereiden. Zij heeft de beschikking over 0,100 M loodnitraatoplossing en een 0,100 M natriumchloride oplossing.
5) Geef de vergelijking van de reactie die optreedt als je beide oplossingen bij elkaar voegt.


Pb2+(aq) + 2 Cl- (aq) → PbCl2(s)

Slide 11 - Tekstslide

Carla wil 1,39 gram loodchloride bereiden. Zij heeft de beschikking over 0,100 M loodnitraatoplossing en een 0,100 M natriumchloride oplossing.
6) Bereken hoeveel ml zij van elk van de beide oplossingen bij elkaar moet voegen om zonder verspilling van grondstoffen de gewenste hoeveelheid loodchloride te krijgen.

A
42 ml loodnitraat en 84 ml natriumchloride
B
42 ml loodnitraat en 42 ml natriumchloride
C
50 ml loodnitraat en 50ml natriumchloride
D
50 ml loodnitraat en 100ml natriumchloride

Slide 12 - Quizvraag

Antwoord vraag 6: Carla wil 1,39 gram loodchloride bereiden. Zij heeft de beschikking over 0,100 M loodnitraatoplossing en een 0,100 M natriumchloride oplossing.
6) Bereken hoeveel ml zij van elk van de beide oplossingen bij elkaar moet voegen om zonder verspilling van grondstoffen de gewenste hoeveelheid loodchloride te krijgen.



1,39/278,1=5,0.10-3 mol loodchloride (=5 mmol)
5,00 mmol PbCl2 ≡ 5,00 mmol Pb(NO3)2 ≡ 10,0 mmol NaCl
M=n/V oftewel V=n/M
Hoeveelheid Pb(NO3)2=5,00/0,100M=50,0ml oplossing Pb(NO3)2 
Hoeveelheid NaCl=10,0/0,100M=100,0ml oplossing NaCl

Slide 13 - Tekstslide

Ketelsteen is kalk (CaCO3).
Hardheid van water wordt aangegeven met dH
1dH komt overeen met 7,1 mg Ca2+ per liter leidingwater. Een waterleidingbedrijf streeft naar een minimale waterhardheid van 8,5dH.
7) Geef de indampvergelijking, waarbij ketelsteen ontstaat.

Slide 14 - Open vraag

Antwoord vraag 7: Ketelsteen is kalk (CaCO3).
Hardheid van water wordt aangegeven met dH
1dH komt overeen met 7,1 mg Ca2+ per liter leidingwater. Een waterleidingbedrijf streeft naar een minimale waterhardheid van 8,5dH.
7) Geef de indampvergelijking, waarbij ketelsteen ontstaat.



Ca2+(aq) + CO32-(aq) → CaCO3(s)

Slide 15 - Tekstslide

Ketelsteen is kalk (CaCO3). Hardheid van water wordt aangegeven met dH. 1dH komt overeen met 7,1 mg Ca2+ per liter leidingwater. Een waterleidingbedrijf streeft naar een minimale waterhardheid van 8,5dH.
8) Bereken de minimale concentratie van de calciumionen in leidingwater.

Slide 16 - Open vraag

Antwoord vraag 8: Ketelsteen is kalk (CaCO3). Hardheid van water wordt aangegeven met dH. 1dH komt overeen met 7,1 mg Ca2+ per liter leidingwater. Een waterleidingbedrijf streeft naar een minimale waterhardheid van 8,5dH.
8) Bereken de minimale concentratie van de calciumionen in leidingwater.
1 dH=7,1 mg Ca2+ per liter leidingwater
8,5 dH=8,5x7,1=60,35 mg Ca2+ per L
Molaire massa M(Ca2+ )=40,08 g/mol
60,35/40,08=1,51.10-3 mol Ca2+ per liter
Dus [Ca2+ ]=1,51.10-3 mol/L

Slide 17 - Tekstslide

Oefen verder met:
  • opgaves 32,33, 34 in het boek

Eindopdracht 35

Slide 18 - Tekstslide