3.3 RUIKEN EN PROEFEN

Horen
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Horen

Slide 1 - Tekstslide

Wat is geluid?
Trillingen in de lucht. 

De sterkte van het geluid (volume) wordt uitgedrukt in decibel.

80 is schadelijk, 120 direct

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Slide 4 - Tekstslide

Oorschelp
Vangt geluiden op uit de lucht.

Geluiden zijn trillingen in de lucht.

Slide 5 - Tekstslide

Gehoorgang

Hierdoor gaan de geluiden naar het trommelvlies

Slide 6 - Tekstslide

Oorsmeer
kliertjes

Zorgen voor oorsmeer wat het trommelvlies soepel houdt.

Slide 7 - Tekstslide

Trommelvlies 
Het trommelvlies wordt door geluiden aan het trillen gebracht.


Slide 8 - Tekstslide

Trommelholte en gehoorsbeentjes
De trommelholte ligt achter het trommelvlies. 

In deze holte liggen de gehoorsbeentjes:
HAMER, AAMBEELD, STIJGBEUGEL

Slide 9 - Tekstslide

Slakkenhuis en gehoorzenuw
Het slakkenhuis bevat gehoorszintuigcellen die trillingen omzetten in een IMPULS.

Dit impuls wordt door de gehoorzenuw naar de hersenen gestuurd.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Ruiken en proeven
Basisstof 2

Slide 12 - Tekstslide

Wat kunnen we aan het einde van 
de les?

Je kunt beschrijven hoe ruiken en proeven in zijn werk gaan.

Je kunt uitleggen welke weg het geluid aflegt van oorschelp tot slakkenhuis

Slide 13 - Tekstslide

Buis van Eustachius
Verbindt de trommelholte met de keelholte

Normaal is hij dicht, maar met slikken en gapen gaat de buis open.

Slide 14 - Tekstslide

Ruiken en proeven

Slide 15 - Tekstslide

Wat ga je leren vandaag:
Aan het einde van de les kan je:
- aangeven waar je geurzintuig zit
-aangeven waar je smaakzintuig zit
- zeggen wat smaakpappillen doen
- aanvullen wat geurpapillem doen.

Slide 16 - Tekstslide

wat gaan we in deze les doen:
1) 5 minuten informatie
2) 6 opdrachten gaan doen
3) test jezelf
4) vragen
5) einde les

Slide 17 - Tekstslide

Ruiken
  • ruiken doe je met je
reukzintuig
  • je reukzintuig zit bovenin de
neusholte
  • je reukzintuig is een deel van
het neusslijmvlies
  • je neusslijmvlies houdt de
neusholte vochtig

Slide 18 - Tekstslide

Ruiken
• lucht inademen
• geurstoffen komen bij je
reukzintuig
• geurstoffen zijn de prikkels
voor je reukzintuig
• reukzintuig stuurt via de
reukzenuw een impuls naar
je hersenen
• hersenen geven aan welke
geur het is

Slide 19 - Tekstslide

waar zit je reukzintuig

Slide 20 - Woordweb

Proeven
• verspreid op je tong liggen
een groot aantal kleine
smaakzintuigen
• smaakzintuigen worden ook
smaakpapillen genoemd
• als je iets eet of drinkt
komen er smaakstoffen op je
tong, deze prikkelen de
smaakzintuigen en die
sturen een impuls naar je
hersenen

Slide 21 - Tekstslide

Proeven
vier soorten smaakzintuigen:

  1. zoet
  2. zout
  3. zuur
  4. bitter

Slide 22 - Tekstslide

Proeven
  • je proeft meer dan de vier verschillende smaken
  • dat komt doordat je ook ruikt
  • via de keelholte gaan de geurstoffen van je voedsel naar je neus
  • bij het proeven werken je reuk (neus) en smaak (tong) samen
  • hersenen krijgen via zenuwen de informatie van je smaakzintuigen
op je tong en de reukzintuigen in je neus
  • je hersenen hebben de informatie gecombineerd: je proeft wat je
eet

Slide 23 - Tekstslide

Met welke zintuig(en) proef je

Slide 24 - Woordweb

namen:
Benoem elk onderdeel van het geurzintuig.

Eerste 3 minuten zelf, laatste 3 minuten samen en met internet.

Slide 25 - Tekstslide

Namen
Benoem elk onderdeelvan het smaakzintuig.

Eerst 3 minuten zelf doen, daarna 3 minuten samen en met internet

Slide 26 - Tekstslide

proeven:
Deze opdracht doe je
samen.
De 1 heeft zijn ogen dicht
en de ander laat hem wat proeven uit het bakje. De proever moet zeggen wat het is en de tester schrijft dit op.

Slide 27 - Tekstslide

oefening:
Je hebt vast wel eens
verschillende dingen gegeten die
allemaal anders smaakten.
Op je tong heb je smaakpapillen,
die zeggen of iets zoet, zout,
bitter of zuur is.
Kun je aanwijzen waar op je tong
de smaakpapillen voor zoet eten
zitten.
Doe dit ook voor zout, bitter en
zuur.

Slide 28 - Tekstslide

opdracht:
Zit goed stil op je stoel:
- Haal eens diep adem door je neus.
- Is de lucht warm of koud?
- Voel je de lucht langs je neusvleugels naar binnen glippen?
- geef op de tekening aan waar je de kou of warmte voelt.
- Waar zitten je geurzintuigen op de tekening.

Slide 29 - Tekstslide

geuren:
- ga naast elkaar zitten
- de een doet een bloindoek om.
- de ander houdt om de beurten een kruidenpotje onder zijn/haar neus.
- probeer te raden welke kruid je ruikt.
- hoeveel heb je er goed geraden.
- Wissel dit om.

Slide 30 - Tekstslide

Dier met de langste tong





50 cm lang

Slide 31 - Tekstslide

Wat is geen zintuig?
A
praten
B
proeven
C
ruiken
D
voelen

Slide 32 - Quizvraag

Het reukzintuig heeft invloed op de smaken die je kunt proeven.
A
ja
B
nee

Slide 33 - Quizvraag

deze 4 smaken kan je proeven
A
metaal,bloed,zoet, zout
B
zoet, zout, zuur,bitter
C
zoet, zout, zuur, zoet
D
bitter, zout, scherp, zoet

Slide 34 - Quizvraag

Hoe heten de zintuigcellen waar je mee kunt ruiken?
A
Reukharen
B
Reukzintuigcellen
C
Geurharen
D
Geurzintuigcellen

Slide 35 - Quizvraag

Wat is geen taak van het slijm in de neusholte?
A
Bacteriën doden.
B
Gevaar detecteren.
C
Lucht verwarmen.
D
Proeven.

Slide 36 - Quizvraag