4V 20-4

Welkom!
Meld je vast aan bij LessonUP
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welkom!
Meld je vast aan bij LessonUP

Slide 1 - Tekstslide

Programma
Herhalen vorige week
Bespreken huiswerk
Uitleg: beeldspraak
Samen oefenen
Zelfstandig werken

Slide 2 - Tekstslide

Een prozatekst van tachtig tot honderd pagina's noem je een...

Slide 3 - Open vraag

De tijd die de gebeurtenissen daadwerkelijk in beslag noemen, noem je...

Slide 4 - Open vraag

Degene die waarneemt in het verhaal noem je...

Slide 5 - Open vraag

Welke stijlfiguur?

Slide 6 - Tekstslide

Pas in de drukte van de stad voel je de rust

Slide 7 - Open vraag

De passerende voorbijgangers keken links en rechts op zoek naar geluk

Slide 8 - Open vraag

Dat is correct en tevens juist

Slide 9 - Open vraag

Bespreken huiswerk
p. 32 Opdracht 1 CDEH
p. 33 Opdracht 2 ACG

Leerlingen online: kijk zelfstandig je huiswerk na

Slide 10 - Tekstslide

Nieuwe uitleg: beeldspraak
- Figuurlijk

- Bij beeldspraak wordt hetgene wat letterlijk bedoel is (object) aangeduid met een figuurlijk bedoeld woord of woordgroep (beeld)

Hij is zo snel als een haas -> hij = object, haas = beeld

Slide 11 - Tekstslide

Nieuwe uitleg: beeldspraak
- Vergelijkingen
- Metaforen
- Metonymia
- Personificatie
- Synesthesie

Slide 12 - Tekstslide

Vergelijkingen
Vergelijking-met-als
Het beeld en object worden aan elkaar verbonden met bepaalde woorden (zo...als, als, lijken, gelijk) omdat er een overeenkomst is.

Hij is zo sterk als een beer
Je kamer lijkt wel een zwijnenstal


Slide 13 - Tekstslide

Vergelijkingen
Vergelijking-zonder-als
Het beeld en object worden met elkaar vergeleken, maar een woord dat object en beeld met elkaar verbindt, ontbreekt.

Je kamer, een zwijnenstal, heeft duidelijk een schoonmaakbeurt nodig
De vuurtoren, een trouwe wachter, staat bij de haven.


Slide 14 - Tekstslide

Metafoor
Bij een metafoor noem je alleen het beeld, het object ontbreekt. Op basis van context moet je bepalen wat het object is.


Ruim die zwijnenstal nou eens op!
De trouwe wachter staat bij de haven om met zijn licht de boten te behoeden



Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Metonymia
Je noemt alleen het beeld, het object ontbreekt. De relatie is niet op iets gemeenschappelijks gebaseerd, maar benoemt een deel/eigenschap van het geheel.

Even de koppen tellen (= je bedoelt personen met een kop)
De rechtbank beslist (= de rechter die werkzaam is bij de rechtbank beslist)



Slide 17 - Tekstslide

Personificatie
Levenloze voorwerpen of abstracties worden als levend voorgesteld of krijgen menselijke eigenschappen. 



De wind huilt om het huis
Je kamer roept om een schoonmaakbeurt



Slide 18 - Tekstslide

Synesthesie

Waarnemingen uit verschillende zintuigelijke gebieden worden met elkaar gecombineerd.


Bittere woorden
Warme kleuren



Slide 19 - Tekstslide

Beeldspraak
- Vergelijking-met-als
- Vergelijking-zonder-als
- Metaforen
- Metonymia
- Personificatie
- Synesthesie

Slide 20 - Tekstslide

Ze heeft een pittige discussie gevoerd met haar begeleider.

Slide 21 - Open vraag

Nederland heeft goud gewonnen op de Olymische Spelen

Slide 22 - Open vraag

De zeilboot danste op de golven, als een geliefde die de Wals met je danst.

Slide 23 - Open vraag

De alarmbel gilde toen we besloten te vertrekken

Slide 24 - Open vraag

Die lopende encyclopedie weet werkelijk alles

Slide 25 - Open vraag

Mijn broertje, een lopende encyclopedie, weet werkelijk alles

Slide 26 - Open vraag

Zelfstandig werken
Maken: opdracht 1abg, opdracht 2bdef

Slide 27 - Tekstslide