Les 5

T5_3 Literaire analyse
Les 5
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

T5_3 Literaire analyse
Les 5

Slide 1 - Tekstslide

Programma
Uitleg
Zelfstandig werken
Afronding

Lesdoelen:
- aan het einde van de les weet je dat taal op een bepaalde manier op de voorgrond kan komen;
- en ken je een aantal nieuwe stijlfiguren;
- en beeldspraak;
- zodat je betekenis leert toekennen aan teksten.





Leerdoelen:
Deze week leer je:
  • Over fictie en literatuur;
  • Over de lezer en tekst.

Slide 2 - Tekstslide

Literair taalgebruik en betekenistoekenning?

Slide 3 - Woordweb

2.1 Nadruk op taalgebruik
Taal > normaal bedoeld voor informatieoverdracht
Literaire tekst > juist aandacht voor de literaire verwoording

Er is veel aandacht voor het taalgebruik zelf > foregrounding
Het op de voorgrond brengen van een taaluiting (= foregrounding), omdat hij opvalt
Dat kan door stijlfiguren, beeldspraak, rijm of ritme

Slide 4 - Tekstslide

2.2 Stijlfiguren
Tegenstelling (antithese):
Herhaling (repetitio):
Paradox (schijnbare tegenstelling):
Opsomming (enumeratio):
Litotes:
Ironie:
Eufemisme:
Chiasme (kruistelling):
Parallellisme:
Pleonasme:
Tautologie:
Hyperbool:
Retorische vraag:

Slide 5 - Tekstslide

2.2 Stijlfiguren
Tegenstelling (antithese): leven - dood
Herhaling (repetitio): 'Je hebt mensen, en je hebt mensen' > semantiek
Paradox (schijnbare tegenstelling): De film was aangenaam griezelig. / Doe eens rustig aan, en rap een beetje!
Opsomming (enumeratio): Zij kocht bier, wijn, vodka en cola.
Litotes: 'Dat is niet slecht!' (terwijl je bedoelt dat iets mooi is)
Ironie: mild, niet kwetsend > verbale ironie: tegenovergestelde zeg je 'Studenten, dat zijn echt keurige mensen.'
Eufemisme: 'Mijn cavia is heengegaan.'
Chiasme (kruistelling): 'Op de fiets dacht hij aan zijn gedichten, terwijl hij in een gedicht zijn fiets bezong.
Parallellisme: herhaling van vergelijkbare grammaticale constructie > syntaxis
Pleonasme: witte sneeuw, groen gras, etc.
Tautologie: 'Hij lachte blij en verheugd.' / maar ... echter
Hyperbool: 'Jullie hebben me een eeuw laten wachten!'
Retorische vraag: 'Zijn we niet allemaal mensen van vlees en bloed?'

Slide 6 - Tekstslide

2.3 Beeldspraak en symboliek
Beeldspraak is een vorm van foregrounding > waarom?
Bij beeldspraak > heb je te maken met figuurlijk taalgebruik; het betekent iets anders dan wat er letterlijk staat
'Jouw kamer is een zwijnenstal.'
Bij beeldspraak is er altijd sprake van een object (iets letterlijks in de zin) en een beeld (daar waar naar verwezen wordt).
Wat is het object en beeld in 'Jouw kamer is een zwijnenstal.'?

Bij beeldspraak > heb je te maken met figuurlijk taalgebruik; het betekent iets anders dan wat er letterlijk staat
'Jouw kamer is een zwijnenstal.'
Bij beeldspraak is er altijd sprake van een object (iets letterlijks in de zin) en een beeld (daar waar naar verwezen wordt).
Wat is het object en beeld in 'Jouw kamer is een zwijnenstal.'?
Object = jouw kamer; letterlijk in de zin, wordt vergeleken met
Beeld = een zwijnenstal, niet letterlijk, is een beeld dat opgeroepen wordt

Slide 7 - Tekstslide

2.3 Beeldspraak en symboliek
Er zijn verschillende vormen van beeldspraak: metaforen, metonymia, personificatie, synesthesie en symboliek

1. Metafoor > sprake van een overeenkomst tussen beeld en object
- Vergelijking met als > object en beeld worden beide genoemd: Zo rood als wijn. Wijn = het object, rood = het beeld
- Vergelijking zonder als (asyndetische vergelijking) > Dit papier, mijn huid. Dit papier = het beeld, mijn huid = het object
- Metafoor in engere zin > alleen het beeld is aanwezig: 'Een trouwe wachter stond op het hoge duin.'  wie concreet?

2. Metonymia
- Maker voor product: 'Dat is een mooie Rembrandt.'
- Materiaal voor product: 'Mevrouw Derksen heeft goud gewonnen tijdens het nationale spellingdictee.'
- Verpakking voor inhoud: 'Doe mij nog maar een blikje.'
- Deel voor geheel (pars pro toto): 'De mannenstemmen fluisterden.' > mannenstem i.p.v. man zelf
- Geheel voor deel (totum pro parte) > 'Nederlands heeft met 3-1 gewonnen van Duitsland.' 

Slide 8 - Tekstslide

2.3 Beeldspraak en symboliek
Er zijn verschillende vormen van beeldspraak: metaforen, metonymia, personificatie, synesthesie en symboliek

3. Personificatie > levenloze voorwerpen krijgen menselijke eigenschappen: 'Schreeuwende kleuren'

4. Synesthesie > waarnemingen uit verschillende zintuigen worden gecombineerd: 'warme kleuren' / 'bruine geur' 

5. Symboliek > letterlijke woorden krijgen een diepere betekenis, denk aan het getal drie, een duif of een roos

Slide 9 - Tekstslide

2.4 Betekenistoekenning
Hoe stel je de betekenis van een tekst vast?

- Thematiek 
- Lezersactiviteit > betekenistoekennen
- Betekenisstructuren - woorden, woordgroepen, gebeurtenissen, situaties, passages en scènes
- Betekenistoekenning (= interpretatie) van de tekst

Slide 10 - Tekstslide

Zelfstandig werken
Maak 2, 7 en 17 van Module 2

Klaar? Maak 2 en 5 van Module 3

Slide 11 - Tekstslide

Afronding
Huiswerk: maak 2 en 5 van Module 3

De lesdoelen waren:
- aan het einde van de les weet je dat taal op een bepaalde manier op de voorgrond kan komen;
- en ken je een aantal nieuwe stijlfiguren;
- en beeldspraak;
- zodat je betekenis leert toekennen aan teksten.

Slide 12 - Tekstslide

Lesdoelen behaald?
A
Ja
B
Nee

Slide 13 - Quizvraag