Examen biologie 2025 tijdvak 1

Examen biologie 2025 tijdvak 1
1 / 146
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 146 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Examen biologie 2025 tijdvak 1

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De hermelijn vraag 1 t/m 3

- voedselketen
- tanden en kiezen
- overlevingskansen en natuurlijke selectie

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voedselketen
  • definitie voedselketen kennen
  • een voedselketen kunnen maken
  • in een voedselweb voedselketens kunnen herkennen
  • kunnen toelichten waardoor een voedselketen begint bij producenten

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedselketen
Wie eet wie?

Voedselketen begint altijd met een plant!

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedselketen



Voedselketen
Pijl --> wordt gegeten door...

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 1 (2p)
gras -> veldmuis/konijn -> hermelijn -> vos

1p voor de juiste organismen in de juiste volgorde
1p voor de pijlen in de juiste richting

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kiezen vergelijken

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gebit: kiezen
knipkies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

vraag 2  (1p)
knipkiezen

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Darwin
Darwin heeft de evolutietheorie bedacht. 

Evolutie betekend ontwikkelen van leven op aarde doormiddel van mutaties en overlevingskansen.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Darwinisme - Natuurlijke selectie

Individuen die het beste aangepast zijn, hebben de beste overlevingskansen
=
Grotere kans om eigenschappen door te geven aan nakomelingen

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Natuurlijke selectie 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Allemaal anders
Een egel verdedigt zich met stekels.

Sommige dieren hebben een schutkleur.
Een schutkleur lijkt op de leefomgeving.
Daardoor wordt het dier bijna onzichtbaar.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schutkleur
Dieren met een schutkleur vallen niet op in hun omgeving. 
Hierdoor is de kans op overleven groter. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

(a)biotische factoren
biotische factoren
biotische en abiotische factoren
Deze factoren hebben invloed op groeikansen en overlevingskansen van organismen. 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

vraag 3  (1p)
uit de uitleg moet blijken dat er een verband is tussen de vachtkleur en de overlevingskans van de (witte) hermelijn

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plantenhormonen vraag 4 t/m 7
- huidmondjes
- houtvaten en bastvaten
- mitose en meiose
- kiemen en zaden

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn huidmondjes?
  • Huidmondjes zitten aan de onderkant van bladeren.
  • Via de huidmondjes stromen stoffen de plant in en uit.
  • Koolstofdioxide gaat via de huidmondjes naar binnen en zuurstof en water gaan via de huidmondjes  naar buiten

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huidmondjes

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 4 (1p)
C

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 5 (1p)
houtvaten

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

meiose/ mitose
Meiose= reductiedeling. 
Mitose= gewone celdeling

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mitose
Meiose

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meiose en Mitose

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 6 (1p)
Giberelline stimuleert mitose in de stengels = juist
Tijdens de kieming vindt meiose plaats = onjuist 

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een zaad
In het zaad zit een kiem, het begin van een nieuwe plant.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Binnenkant van een zaad
5/6 samen. Kiem(plantje): 
In het zaad zit een kiem. 
Bij de kieming van het zaad ontstaat uit de kiem een plantje. 
7. Zaadlobben: deze bevatten het reservevoedsel.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vraag 7 (1p)
C

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Titeren vraag 8 t/m 10
- antistoffen
- immuniteit
- passieve immuniteit
- actieve immuniteit
- natuurlijke immuniteit
- kunstmatige immuniteit

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

antistoffen
Antistoffen = product van een witte bloedcel, die de ziekteverwekker onschadelijk maakt.
Door de antistoffen kan de ziekteverwekker je niet meer ziek maken. 
Voor verschillende ziekteverwekkers zijn verschillende antistoffen nodig. 
Je lichaam moet dus veel verschillende antistoffen kunnen maken. Je bloed vervoert de antistoffen door het lichaam.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antistoffen

  • Antistoffen: stoffen die gemaakt worden door witte bloedcellen
  • Antistoffen zitten opgelost in het bloed
  • Antistoffen reageren op de antigenen van ziekteverwekkers 
  • Antistoffen werken specifiek: ze werken maar op één antigeen
  • Ziekteverwekkers worden in-actief gemaakt

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten immuniteit
Natuurlijke immuniteit  
 - Actief
- Passief
Kunstmatige immuniteit
- Actief
- Passief

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Immuniteit
  • Natuurlijke immuniteit

       een persoon heeft de ziekte zelf gehad en wordt dus niet meer ziek

  • kunstmatige immuniteit

       een persoon heeft de ziekte niet gehad

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Immuniteit: Antistoffen tegen het antigen van een ziekteverwekker hebben.

Kunstmatige immuniteit = Vaccin
Natuurlijke immuniteit = Ziek worden

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

passieve immuniteit
passieve natuurlijke immuniteit = via moedermelk en bloed uit placenta krijg je antistoffen binnen van je moeder
passieve kunstmatige immuniteit = je bent ernstig ziek en krijgt een spuit antistoffen (=serum)

1. passief omdat je lichaam zelf niets hoeft te doen
2. tijdelijke immuniteit - uitgewerkt zodra alle antistoffen zijn afgebroken

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • Je kunt beschrijven hoe antistoffen bescherming bieden tegen infecties
  • Je kunt uitleggen op welke manieren immuniteit kan ontstaan


  • Antistoffen – antigenen – infectie – immuniteit – natuurlijke immuniteit – kunstmatige immuniteit – actieve immunisatie – passieve immunisatie

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden vraag 8 t/m 10
8 = antistoffen (1p)
9 = uit de uitleg moet blijken dat de ziekte(verwekker) van Carré andere antigenen heeft / Wodan andere antistoffen nodig heeft voor immuniteit (1p)
10 = uit het antwoord moet blijken dat dit via de moedermelk/placenta is gebeurd (1p)

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een trage maag vraag 11 t/m 15
- de maag
- peristaltiek
- bewustwording 
- ademhaling
- huig en strotklepje
- verteringsstelsel

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maag
De maag verteerd voedsel en doodt bacteriën.

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De maag
Na de slokdarm komt de maag 
  • ligt onder het middenrif
  • de maag kneedt het voedsel
  • de maag heeft verteringsklieren (mechanische verkleining)

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maag
Door de darmperistaltiek van je maag wordt voedsel voort geduwd naar je maag. In de maag zitten lengtespieren en kringspieren. Hierdoor is de maag altijd in beweging. In de maag zit maagsap. Dit is een zoutzuur dat dood de bacteriën die meekomen in je voedsel.

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

PERISTALTIEK
  • kringspieren en lengtespieren - door afwisselend samentrekken peristaltische bewegingen in dunne darm
  • kneedbewegingen
  • ook peristaltiek in slokdarm, maag en dikke darm

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Peristaltiek
Lengtespieren & kringspieren 

zie Binas 82C

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verteringsstelsel

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huig en strotklepje
Achterin je mond zit je huig en boven het strottenhoofd zit het strotklepje.
Je huig sluit bij slikken je neusholte af van je mondholte.
Je strotklepje sluit bij slikken je luchtpijp af.

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huig en strotklepje

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bewustwording
Bewustwording vindt plaats in grote hersenen. Pas als de impulsen daar aankomen, ben je je bewust dat de bonbons voor je neus staan.

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het ademhalingsstelsel

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ademhaling

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden vraag 11 t/m 15
11 = C (1p)
12 = A (1p)
13 = Carola heeft moeite met uitademen = onjuist
         Als Carola haar buikspieren aanspant komt er meer druk       
         op de maag = juist (1p)
14 = sluit de luchtpijp af = strotklepje & sluit de neusholte af = huig (1p)
15 = 3 en 4 (2p)

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdluizen vraag 16 t/m 19
- de huid
- bloed/bloeddeeltjes
- genotype en fenotype
- ademhaling bij insecten

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bouw van de huid
Hoornlaag
Kiemlaag

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen uit de paragraaf

Opperhuid (hoornlaag-kiemlaag)
Lederhuid (tastknopje - pijnpunt - drukzintuig)
Lichaamstemperatuur (zweetklieren - doorbloeding)
Brandwonden



Slide 54 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

opperhuid
- De huid bestaat uit twee delen: opperhuid en lederhuid
- Opperhuid bestaat uit de hoornlaag en kiemlaag
- Hoornlaag: bestaat uit resten van dode cellen, beschermt je lichaam tegen beschadiging en uitdroging
- Kiemlaag: Bestaat uit levende cellen

Slide 55 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huid

Slide 56 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloed in reageerbuisjes
Onderdelen van het bloed

Slide 57 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloed
Waaruit bestaat je bloed?
Bloeddeeltjes (bloedcellen) en bloedplasma:
  • Rode bloedcellen > Vervoeren zuurstof > Bevat hemoglobine (rode kleurstof – bindt zuurstof aan zich)
  • Witte bloedcellen > Bestrijden ziekteverwekkers (bacteriën en virussen)
    - Type 1 eten ziekteverwekkers op en verteren deze
    - Type 2 maken afweerstoffen (antistoffen) tegen ziekteverwekkers
  • Bloedplaatjes > Zorgen dat wondjes dichtgaan (bloedstolling)
Bloedcellen zijn na een paar maanden versleten, in het rode beenmerg in platte beenderen (bekken, borstbeen, ribben) worden nieuwe bloedcellen gemaakt.


Slide 58 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Genotype en fenotype
Genotype

Fenotype


Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fenotype en genotype

Je fenotype kan je 
dus veranderen
je genotype niet!
Je genotype zit
in je DNA!!!

Slide 60 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ademhaling bij insecten

Slide 61 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ademhaling van insecten
Bij insecten gaat de ademhaling via het achterlijf.
In de zijkanten van het lijf zitten kleine openingen, stigma's. 
Via die stigma's gaat het door een serie sterk vertakte buizen, tracheeën.

Slide 62 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden vraag 16 t/m 19
16 = A (1p)
17 = bloedplaatje(s) (1p)
18 = C (1p)
19 = Uit het antwoord moet blijken dat de hoofdluis hierdoor geen zuurstof kan opnemen / hierdoor geen koolstofdioxide kan afstaan.  (1p)

Slide 63 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gedragsonderzoek bij vervetapen vraag 20 t/m 22
- Gedragsonderzoek
- Ethogram
- Protocol
- Ethologie
- Rangorde
- Gedragshandelingen


Slide 64 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

§1.4 Gedragsonderzoek
Hoe je gedragsonderzoek toepast.
  • ethogram
  • protocol
En: objectief!

Je kunt in gedragingen herkennen:
  • Gedragssystemen
  • Gedragselementen
  • Gedragsketens

Slide 65 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gedragsonderzoek
Ethogram 

Protocol  

Slide 66 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gedragsonderzoek
Ethogram
  • Handeling
  • Afkorting
  • Beschrijving

Slide 67 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De baas in de groep
Het dominante dier is de baas over de onderdanige dieren in de groep.

Rangorde: een groep met dominante en onderdanige dieren, waar iedereen zijn plek kent.

Een rangorde brengt rust in de groep, de regels zijn duidelijk. 

Bij kippen heet de rangorde: pikorde.

Dominant
Dominant
Onderdanig gedrag

Slide 68 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rangorde
  • In sociale groepen bestaan rangorden. 
  • Het hebben van rangorde zorgt ervoor dat een groep kan overleven. 
  • De rangorde kan door dominantie of leeftijd bepaalde worden. 

Slide 69 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord vraag 20 en 21

Slide 70 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord vraag 22
22 =
Uit het antwoord moet blijken dat Cyrah Ama vlooit (om een stukje appel te krijgen). (1p)

Slide 71 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fokken van pythons vraag 23 t/m 26
- kruisingsschema
- evolutietheorie
- luchtpijp en kraakbeenringen 

Slide 72 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kruisingsschema kansen

Slide 73 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kruisingsschema

Slide 74 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe maak ik een kruisingsschema?

Slide 75 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Luchtpijp en longen
  • De wand van de luchtpijp bevat hoefijzervormige kraakbeenring, waardoor de luchtpijp altijd openstaat.
     
  • De wanden van de luchtpijp, bronchien, luchtpijptakjes en longblaasjes zijn bekleed met slijmvlies.

Slide 76 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Luchtpijp
  • Luchtpijp onder strottenhoofd
  • Kraakbeenringen houden luchtpijp open
  • Bronchiën ook kraakbeenringen
  • Kleinste buisjes hebben spiertjes
  • Slijmvlies overal in de luchtwegen
  • Trilharen brengen slijm naar keel → doorslikken

Slide 77 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord vraag 23

Slide 78 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord vraag 24

Slide 79 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord vraag 25 en 26

Slide 80 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nijlpaard Hasana vraag 27 t/m 29
- hormoonstelsel 
- hormonen en hormoonklieren
- primaire en secundaire geslachtskenmerken

Slide 81 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hormoonstelsel

Slide 82 - Tekstslide

Hormoonstelsel bestaat uit hormoonklieren.
Een klier is een orgaan dat stoffen produceert, zoals de zweetklier.
Hormonen zijn stoffen die de werking van organen regelen. 

Hormonen
  • Hormonen zijn signaal/regelstoffen.
  • Hormonen worden gemaakt door de hypofyse.


  • Hormonen worden getransporteerd door het bloed.


Slide 83 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hormoonklieren
Overzicht van de belangrijkste hormoonklieren ->

Een hormoonklier maakt hormonen een geeft deze af aan het bloed.

Slide 84 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden vraag 27 t/m 29

Slide 85 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Pitrus vraag 30 t/m 31
- planten en wortels
- transport bij planten

Slide 86 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

transport in planten
  • stoffen in de plant worden vervoerd in vaten
  • vaten liggen bij elkaar in vaatbundels
  • houtvaten vervoeren water en mineralen vanuit de wortel omhoog
  • bastvaten vervoeren glucose en andere stoffen vanuit de bladeren naar andere delen van de plant

Slide 87 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organen planten
Planten hebben ook organen.

De organen van planten zijn: bloem, blad, stengel en wortel

Slide 88 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wortels
Functies
  • Met de wortels zuigt een plant water en voedingsstoffen op uit de bodem.
  • Wortels zorgen er ook voor dat de plant stevig in de grond staat.
  • In de wortel slaat de plant ook het reservevoedsel op. 

Slide 89 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stengels
Functies:
- transport/vervoer van stoffen
- stevigheid geven aan de plant

Slide 90 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gaswisseling plant
Planten hebben ook zuurstof nodig. Dit gebruiken ze namelijk bij de verbranding van glucose. 

Huidmondjes: 
regelen hoeveel zuurstof en koolstofdioxide de plant in en uit gaan. 

Slide 91 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe komen planten aan CO2 en hoe verspreiden ze zuurstof?
Huidmondje

Slide 92 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden vraag 30 en 31

Slide 93 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De neushoornkever vraag 32 t/m 34
- gedrag van mensen en dieren
- biotische en abiotische factoren
- verbranding bij planten en dieren

Slide 94 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is gedrag?
  • Gedrag is alles wat een mens of een dier doet.
  • Een prikkel is een verandering in de omgeving, waarop mensen en dieren reageren.
  • Gedrag ontstaat doordat mensen en dieren reageren op prikkels.

Slide 95 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten sociaal gedrag
  • Balts of bronst
  • Paringsgedrag
  • Broedzorg
  • Territoriumgedrag
  • Dreiggedrag
  • Conflictgedrag:
    Oversprong gedrag, ambivalent gedrag, omgericht gerdrag

Slide 96 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sociaal gedrag
Bij veel dieren en mensen wordt gedrag beïnvloed door soortgenoten. Gedrag van soortgenoten naar elkaar noem je sociaal gedrag

Een handeling van een dier (of mens) is een prikkel voor een handeling van een soortgenoot. 

Slide 97 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Biotische en abiotische factoren

Slide 98 - Tekstslide

abiotische factoren bepalen of een gebied geschikt is als habitat voor een organisme. heeft dus invloed op de soortensamenstelling. 
Afval
Waardoor komt er meer koolstofdioxide in de lucht?

  • Kringloop van fotosynthese en verbranding
    - in de lucht zit koolstofdioxide, planten nemen dit op en maken hier glucose van
    - dieren eten de plant op, zo komt de glucose in het dier
    - in het dier vind verbranding plaats van glucose, hierdoor ontstaat koolstofdioxide, dit ademen dieren weer uit
    - zo komt de koolstofdioxide weer in de lucht en kunnen planten het weer opnemen
  • Steeds meer mensen op aarde gebruiken energie, door verbranding van fossiele brandstoffen ontstaat veel koolstofdioxide in de lucht > te veel om door planten te worden opgenomen > kringloop is verstoord

Slide 99 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Biotische en abiotische factoren

Slide 100 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verbranding
In een plant vindt verbranding plaats. Bij verbranding reageert een energierijke brandstof met zuurstof. Daarbij komt energie vrij. In alle cellen van organismen vindt voortdurend verbranding plaats.
De belangrijkste brandstof voor planten, dieren en mensen is glucose. Je kunt de verbranding van glucose zo opschrijven:

Slide 101 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dieren
Dieren eten planten of elkaar.

Hierdoor krijgen ze de energierijke stoffen van de planten binnen. 

Die kunnen ze gebruiken om daar hun eigen stoffen van te maken of om te verbranden, zodat ze energie hebben.

Slide 102 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden vraag 32 t/m 34

Slide 103 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Energiedrank vraag 35 t/m 40
- orgaanstelsels
- het gebit
- voedingsstoffen en voedingsmiddelen
- glycogeen
- vet


Slide 104 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Organen en cellen

Slide 105 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Orgaanstelsels
Orgaanstelsel: Een groep organen die samenwerken.  

bijvoorbeeld:
  • Bloedvatenstelsel
  • Verteringsstelsel
  • Ademhalingsstelsel

Slide 106 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Orgaanstelsels

Slide 107 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Orgaanstelsels







OrgaanstelselEen groep organen die samenwerken aan een taak.

Slide 108 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedingsstoffen en voedingsmiddelen.

Slide 109 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedingsstoffen
Voedingsmiddelen bevatten voedingsstoffen. 

Voedingsstoffen zijn de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen. 
Wat betekent dat? 

Slide 110 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koolhydraten
Koolhydraten zijn brandstoffen, maar kunnen ook dienen als bouwstof. 

Teveel aan koolhydraten?
  • Koolhydraten als reservestof (vet)

Suikers (glucose), zetmeel en glycogeen. 

Slide 111 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De lever
Belangrijkste functies:
  • Produceert gal (vertering van vetten)
  • Verwerkt voedingsstoffen uit de darm
  • Produceert eiwitten
  • Breekt afval- en gifstoffen af
  • Opslag (glycogeen)

Slide 112 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opslag
bewaren in je inwendige milieu
- Lever: glucose (als glycogeen), mineralen, vitamines.
- Spieren: glucose (als glycogeen).
- Onderhuids bindweefsel: Vet
-Gele beenmerg van pijpbeenderen: Vet

Slide 113 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden 35 t/m 39

Slide 114 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord vraag 40

Slide 115 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Problemen met resus vraag 41 t/m 45
- Prenataal onderzoek
- De baarmoeder
- Hoge en lage bloeddruk
- Voeding bij foetussen
- Resuspostief en resusnegatie

Slide 116 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Resusfactor
  • Resusfactor
- Resuspositief (Rh+): Antigenen 
- Resusnegatief (Rh-): Antistoffen


  • Resus en zwangerschap
- Gevolgen volgende zwangerschap

Slide 117 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De meeste mensen (85%) zijn resuspositief (Rh+).

Een klein deel van de mensen (15%) is resusnegatief (Rh-)

Antistoffen tegen de resusfactor worden gemaakt na contact met Rh+ bloed.
+
klontering en hemolyse
     Rh+               Rh-

Slide 118 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

prenataal onderzoek
onderzoek naar de gezondheid van de baby

verschillende vormen van prenataal onderzoek:
Echoscopie
vlokkentest
vruchtenwaterpuntie

Slide 119 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

prenataal onderzoek

Slide 120 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kindje in de baarmoeder

Slide 121 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zwangerschap
De eerste weken = embryo
na 8ste week = foetus

De foetus krijgt via de navelstreng (die aan de placenta vastzit) voeding binnen

Vruchtvliezen& -water zijn voor bescherming van de foetus

Slide 122 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloeddruk
De bloedruk is de druk die het bloed uitoefent op de wanden van de slagaders als het wordt rondgepompt

De bloeddruk wordt gemeten met een bloeddrukmeter. 
Hoge bloeddruk
Bij toenemende inspanning of al je je opwindt, stijgt de bloedruk tijdelijk. 
Lage bloeddruk
In rust daalt de bloeddruk weer
Oorzaken hoge bloeddruk
De oorzaken van te hoge bloeddruk zijn onder andere stress, roken, overgewicht en zout eten. Langdurig hoge bloeddruk beschadigt de wanden van de slagaders.
Lage bloeddruk gevaarlijk?
Een te lage hoge bloeddruk komt vaker voor, en kan wel schadelijk zijn.

Slide 123 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoge en lage bloeddruk
Lage bloeddruk -> duizeligheid, flauwvallen, vermoeidheid

Hoge bloeddruk -> vaak geen klachten, bloedvaten/organen beschadigen

Slide 124 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden 41 t/m 45

Slide 125 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Myxomatose vraag 46 t/m 49
- aders en slagaders
- het oog
- overlevingskans (zie vraag 1 t/m 3)
- antibiotica

Slide 126 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slagaders
  • Aorta: grootste slagader en begint bij het hart
  • Kransslagaders


Slide 127 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aders

Slide 128 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

aders en slagaders 

Slide 129 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slagaders
  • Slagaders hebben de naam van het orgaan waar ze naartoe lopen
  • Uitzondering: de aorta 

  • Slagaders vervoeren bloed van het hart naar de organen
  • Alle slagaders, behalve de longslagader, vervoeren zuurstofrijk bloed
  • De bloeddruk in slagaders is hoog

Slide 130 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

8.3.3: Het verschil in vorm en functie van slagaders, haarvaten en aders beschrijven en voorbeelden noemen van deze aders.
Aders:
- Van het ORGAAN af naar HART toe
- Hebben kleppen
- Meestal zuurstofarm

Grootste ader = HOLLE ADER

Slide 131 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slagaders
  • Bloed stroomt weg van het hart
  • Bloeddruk in slagaders is hoog
  • Dus: wanden slagaders zijn dik en elastisch

Slide 132 - Tekstslide

Vertel ook over:
Diep in het lichaam gelegen.
slag merkbaar in bv. polsen

Onderdelen van het oog met de functies:

Slide 133 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Buitenkant van het oog
Doorsnede van het oog

Slide 134 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antibiotica
Anti = tegen
Bíos = leven

  • Virussen zijn niet levend, dus antibiotica werkt niet.
  • Bacteriën leven wel, dus antibiotica werkt wel.

Slide 135 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antibiotica 
maken schimmels en bacteriën dood

Penicilline is een antibiotica gemaakt door een penseelschimmel 

Slide 136 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden 46 t/m 49

Slide 137 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vingerdier vraag 50 t/m 52
- producten, consument, reducent
- inwendige en uitwendige prikkels
- het oor

Slide 138 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedselkringloop: producenten, consumenten, afvallers en reducenten

Slide 139 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Consument
Producent
afvaleters
Mineralen
Reducent

Slide 140 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

producent --> consument -->consument --> reducent
Voedelselketen 

Slide 141 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Producent
Consument 1e orde
Consument 2e orde
Consument 3e orde

Slide 142 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herbivoor = planteneters = consumenten van de 1e orde.

Carnivoor = vleeseters = consumenten van de 2e orde en/of hoger.

Omnivoor = alleseters = consumenten van de 1e orde en hoger.


Slide 143 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prikkel
Inwendige prikkel 

Uitwendige prikkel

Slide 144 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het Oor

Slide 145 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoorden 50 t/m 52

Slide 146 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies