Niet-financiële informatie (Bedrijfseconomie vwo), les 2: Examentraining

Tevredenheidsmeting op een luchthaven. Foto: TaurusEmerald, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Examentraining

Niet-financiële informatie: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met casussen: gegevens indelen, het belang voor het management uitleggen, beslissingen en risico's koppelen en rekenen met verloop en verzuim, met acht vragen.

Onderdelen in deze les

Tevredenheidsmeting op een luchthaven. Foto: TaurusEmerald, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Examentraining

Niet-financiële informatie: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: TaurusEmerald / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een casus informatie indelen, het belang voor het management uitleggen, beslissingen en risico's koppelen en rekenen met verloop en verzuim.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welke organisatie is het en welke informatie of welk probleem staat er?

  • 2. Sorteer: is het gegeven in euro's uitgedrukt? Dan financieel, anders niet-financieel.

  • 3. Koppel: welke oorzaak, welk gevolg of welk risico zit erachter?

  • 4. Kies: een beslissing of antwoord en noem het gegeven uit de casus.

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Vraagtype 1: verschillen

  • Je deelt gegevens uit een casus in en legt het verschil uit.

  • Kijk naar de grootheid: gaat het over een geldbedrag? Dan financieel, ook als het een percentage is.

  • Een casus bevat vaak beide soorten: sorteer de gegevens een voor een.

Deze slide heeft geen instructies

Webshop Luma meldt 8% meer omzet, 3.400 klachten en 94% op tijd. Welke zijn niet-financieel?

A

De klachten en het percentage op tijd

B

De omzetstijging en de klachten

C

De omzetstijging en het percentage op tijd

D

Alle drie, want geen ervan is een bedrag in euro's

Syllabus 29.1. De omzetstijging is een percentage, maar van een geldbedrag (de omzet in euro's): financieel. Het aantal klachten en het percentage leveringen op tijd gaan niet over geld. Verwachte fout: elk percentage als niet-financieel zien. Webshop Luma is verzonnen.

Waarom is ziekteverzuim van 6% niet-financieel, ook al kost het geld?

A

Het gaat over personeel en dat is nooit financieel

B

Niet in euro's, maar in een percentage van werkdagen

C

Een percentage is altijd niet-financiële informatie

D

De kosten ervan staan niet in de administratie

Syllabus 29.1. Het verzuim zelf is een deel van de werktijd; de loonkosten van de zieke dagen zijn financieel. Een percentage kan financieel zijn als het over een geldbedrag gaat. Verwachte fout: 'percentage is altijd niet-financieel'.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Vraagtype 2: belang voor het management

  • Je legt uit waarom het management een niet-financieel gegeven nodig heeft.

  • Redeneer van het gegeven naar een gevolg voor opbrengsten of kosten.

  • Verwijs naar de casus: noem het gegeven en wat het voor de organisatie betekent.

Deze slide heeft geen instructies

Tuincentrum Groen verhoogt de prijzen: resultaat +8%, maar 20% minder vaste klanten. Welke conclusie past?

A

Het tuincentrum functioneert goed, want het resultaat stijgt

B

De prijzen kunnen verder omhoog, want het resultaat stijgt

C

Het aantal vaste klanten zegt niets, het is niet in euro's

D

Het resultaat kan later dalen door minder vaste klanten

Syllabus 29.2. Het resultaat van nu toont het gevolg van de prijsverhoging; het dalende aantal vaste klanten waarschuwt voor lagere opbrengsten later. Verwachte fout: alleen naar het resultaat kijken. Tuincentrum Groen is verzonnen.

Noem een signaal dat opbrengsten later dalen.

Syllabus 29.2. Goed antwoord: dalende klanttevredenheid, lagere leveringsbetrouwbaarheid, een slechter imago of stijgend verloop van personeel, met uitleg waarom dit opbrengsten raakt. Verwachte fout: een financieel gegeven noemen, zoals dalende kosten.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Vraagtype 3: beleid en risico

  • Je koppelt een beslissing aan informatie van de juiste categorie.

  • Bij risicomanagement benoem je het risico en wat het kan doen met het resultaat.

  • Controleer of de beslissing de oorzaak aanpakt en niet een andere categorie.

Deze slide heeft geen instructies

Distributeur Kolibri: leveringsbetrouwbaarheid zakt van 96% naar 88%. Welke beslissing past?

A

De planning en de voorraad herzien

B

Het assortiment verbreden met nieuwe producten

C

Meer reclame maken om het imago te verbeteren

D

Het ziekteverzuim verlagen met een training

Syllabus 31.2. Een lage betrouwbaarheid hoort bij levering: planning en voorraad. Verwachte fout: reclame of een nieuw assortiment kiezen, omdat die klanten trekken maar de late leveringen niet oplossen. Distributeur Kolibri is verzonnen.

Ontwerpbureau Pixel slaat klantgegevens zonder goede beveiliging op. Welk risico telt het management mee?

A

Het ziekteverzuim stijgt en de loonkosten dalen

B

Alleen de ict-afdeling loopt risico, het bedrijf niet

C

Een datalek kan het imago en de opbrengsten schaden

D

De leveringstermijn wordt korter en de kosten dalen

Syllabus 31.2.1: dataveiligheid is niet-financiële informatie die het resultaat kan beïnvloeden. Verwachte fout: het risico beperken tot de ict-afdeling. Ontwerpbureau Pixel is verzonnen.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Vraagtype 4: rekenen

  • Gebruik de hulpformules uit de uitleg (niet in Bijlage 4) en rond af op hele euro's of een decimaal.

  • Verloop (%) = vertrokken / gemiddeld aantal medewerkers x 100, met gemiddeld = (begin + eind) / 2.

  • Reken een percentage eerst om naar een aantal en daarna naar euro's.

Deze slide heeft geen instructies

Installatiebedrijf Brons: begin 90 medewerkers, eind 110, er vertrekken er 15. Hoeveel is het verloop?

A

16,7%

B

13,6%

C

15%

D

7,5%

Syllabus 29. Uitwerking: gemiddeld = (90 + 110) / 2 = 100; 15 / 100 x 100 = 15%. Controle: 15% van 100 is 15. Verwachte fout: 16,7% (delen door 90) of 13,6% (delen door 110). Installatiebedrijf Brons is verzonnen.

Kantoor Arca: 40 medewerkers, elk 220 werkdagen, verzuim 5%, loonkosten € 190 per dag. Wat kost het verzuim?

A

€ 83.600

B

€ 2.090

C

€ 440

D

€ 836.000

Syllabus 29.2: niet-financiële informatie koppelen aan het financiële gevolg. Uitwerking: 40 x 220 = 8.800 werkdagen; 5% daarvan is 440 verzuimdagen; 440 x € 190 = € 83.600. Controle: 440 x € 200 = € 88.000 min 440 x € 10 = € 4.400 geeft € 83.600. Verwachte fout: € 440 (alleen de dagen) of € 2.090 (één medewerker). Kantoor Arca is verzonnen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Verschillen uitleggen

2

Het belang voor het management

3

Beleid en risico koppelen

4

Rekenen met verloop en verzuim

Deze slide heeft geen instructies

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · NIET-FINANCIEEL

Tips voor op het examen

  • Kijk eerst of een gegeven in euro's is uitgedrukt: dan is het financieel, ook als het een percentage is.

  • Leg het verband: van het niet-financiële gegeven naar een gevolg voor opbrengsten of kosten.

  • Kies een beslissing die de oorzaak aanpakt en bij de juiste categorie hoort.

Deze slide heeft geen instructies