Klassieke muzieklijn (Muziek vwo), les 1: Uitleg

MUZIEK EN CULTUUR · A3

KLASSIEKE MUZIEKLIJN

Examenstof muziek vwo

1 / 27
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMuziekMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Uitleg over de klassieke muzieklijn voor vwo: van gregoriaans tot minimal music, met 4 luisterfragmenten en 4 checks. Leerlingen leren een onbekend werk plaatsen op stilistische, vormtechnische en muziekhistorische argumenten.

Onderdelen in deze les

MUZIEK EN CULTUUR · A3

KLASSIEKE MUZIEKLIJN

Examenstof muziek vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: A3, bijlage 3 deel I: klassieke muzieklijn. Image credit: Adolph von Menzel / Wikimedia Commons, publiek domein

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

WAT GA JE KUNNEN?

Ik kan een onbekend werk in een periode plaatsen met stilistische, vormtechnische en muziekhistorische argumenten.

Deze slide heeft geen instructies

Waaraan hoor je dat een stuk muziek oud of juist heel nieuw is?

Verwachte woorden: instrumenten, klank, akkoorden, ritme, een kerkkoor, elektronisch, orkest. Zet de woorden op het bord. De rode draad: je plaatst een onbekend werk door te letten op stijl (melodie, ritme, harmonie, klankkleur), vorm en muziekhistorische kenmerken zoals het instrumentarium. Blok 1 gaat over de middeleeuwen en de renaissance, blok 2 over de barok en het classicisme en blok 3 over de romantiek en de twintigste eeuw. Culturele argumenten horen bij het schoolexamen en komen niet in de vragen.

Gregoriaanse notatie op een vierlijnig notenstelsel (Ave Maria)

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

MIDDELEEUWEN: GREGORIAANS

  • Gregoriaans is eenstemmige kerkmuziek in het Latijn, zonder instrumenten.

  • Het ritme is vrij: er is geen maatsoort en geen vaste tel (vrije ritmiek).

  • Syllabisch gezang heeft één noot per lettergreep, melismatisch gezang veel noten op één lettergreep.

  • De melodieën volgen kerktoonsoorten, geen majeur en mineur.

Syllabus A3 klassieke lijn, middeleeuwen: gregoriaans herkennen, vrije ritmiek signaleren, syllabisch en melismatisch gezang onderscheiden (kerktoonsoorten: alleen kennis). De foto toont een gedeelte van een Ave Maria met veel noten op één lettergreep: een melismatisch stuk. Veelgemaakte fout: vrije ritmiek verwarren met een onregelmatige maat. Gregoriaans heeft helemaal geen maatsoort. Image credit: Der wahre Jakob / Wikimedia Commons, CC0

Video: Dies irae uit de Requiemmis, Schola Cantorum of Amsterdam Students, Wim van Gerven (kanaal: Schola Cantorum Of Amsterdam Students - Topic). Wat hoor je? Een groep stemmen zingt dezelfde melodie in unisono, zonder instrumenten, in vrij ritme en overwegend syllabisch: de meeste lettergrepen krijgen één noot. Goede antwoord: gregoriaans.

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

ORGANUM EN WERELDLIJKE MUZIEK

  • Het organum is de oudste meerstemmigheid: een tweede stem zingt mee met de gregoriaanse melodie.

  • Je hoort parallelle beweging in octaven, kwinten en kwarten, later ook tegenbeweging.

  • Wereldlijke muziek: de troubadours zongen liederen en de estampie is een instrumentale dans.

  • Een bourdon is een lang aangehouden lage toon als begeleiding, bijvoorbeeld van een doedelzak.

  • Het tijdgebonden instrumentarium (doedelzak, schalmei, vedel) verraadt de tijd.

Syllabus: ontstaan van de meerstemmigheid en het organum (kennis), parallelbeweging in octaven, kwinten en kwarten en tegenbeweging vergelijkend herkennen, bourdonbegeleiding en tijdgebonden instrumentarium herkennen, troubadour en estampie (kennis). Veelgemaakte fout: denken dat een bourdon een melodie is. Het is een aangehouden toon, geen melodie. Het organumfragment en de estampie komen terug in de examentraining.

Josquin des Prez, houtsnede uit de zestiende eeuw

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

RENAISSANCE: IMITATIE EN POLYFONIE

  • In de renaissance (ca. 1450-1600) is koormuziek polyfoon: alle stemmen zijn even belangrijk.

  • Imitatie: stemmen zetten na elkaar in met hetzelfde motief; bij doorimitatie per tekstregel.

  • Bij homofonie zingen de stemmen samen dezelfde tekst in akkoorden.

  • Een canon is strikte imitatie: elke stem zingt dezelfde melodie, steeds later ingezet.

Syllabus renaissance: imitatie en doorimitatie, canon, homofonie en polyfonie herkennen. De renaissance als kunststroming is alleen kennis, in de vragen komt dat niet terug. Veelgemaakte fout: imitatie en canon door elkaar halen. Bij een canon is de imitatie strikt: elke stem zingt precies dezelfde melodie. Bij doorimitatie krijgt elke tekstregel een eigen motief. Image credit: Onbekend / Wikimedia Commons, publiek domein

Video: Josquin: Ave Maria... Virgo serena, The Tallis Scholars, Peter Phillips (kanaal: Peter Phillips - Topic). Wat hoor je? Een koor zonder instrumenten: de stemmen zetten na elkaar in met hetzelfde motief en blijven daarna even belangrijk. Goede antwoord: imitatie in een polyfoon renaissancewerk.

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

RENAISSANCE: VORMEN EN RITME

  • De mis, het motet en het madrigaal zijn meerstemmige vocale vormen: kerkelijk (mis, motet) of wereldlijk (madrigaal).

  • Stemmen werken in stemparen: twee stemmen imiteren elkaar, daarna beantwoordt een ander paar hen.

  • De pavane (statig) en de gaillarde (springerig) vormen samen een dansenpaar.

  • Het ritme berust op de tactus, een gelijkmatige basisslag, in plaats van maatindeling met accenten.

  • In de harmonie komt meer terts dan kwint voor, waardoor de klank vol en zacht wordt.

Syllabus renaissance: stemparen herkennen; mis, motet, madrigaal, combinatie pavane-gaillarde, tactus en meer terts dan kwint zijn kennisaspecten. De pavane en gaillarde komen uitgebreid terug in het onderwerp dansen en suite.

Vul in: gregoriaans en organum

Gregoriaans is eenstemmig en heeft een vrij ritme, terwijl het organum de oudste vorm van meerstemmigheid is.

eenstemmig
vrij
organum
tweestemmig
motet

Veelgemaakte fout: gregoriaans meerstemmig noemen. Gregoriaans is eenstemmig, het organum is de eerste meerstemmigheid.

Johann Sebastian Bach, portret door Elias Gottlob Haussmann (1746)

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

BAROK: BASSO CONTINUO EN MOTORIEK

  • De barok (ca. 1600-1750) rust op de basso continuo: baslijn plus akkoorden (cello, klavecimbel).

  • Barokke motoriek: een voortdurende, regelmatige beweging in korte noten, als een draaiende motor.

  • Een motief wordt voortgesponnen, vaak met een sequens, en de dynamiek springt in terrassen.

  • De toonsoorten worden majeur en mineur en de maat vervangt de tactus.

Syllabus barok: basso continuo als basis van de compositie, barokke motoriek, sequens, voortspinnen en terrassendynamiek. Reductie tot majeur en mineur en de barok als kunststroming zijn kennisaspecten. Veelgemaakte fout: de basso continuo zien als een solo-instrument. Het is de groep instrumenten die de baslijn en akkoorden speelt, meestal een bas-instrument plus een akkoordinstrument. Image credit: Elias Gottlob Haussmann / Wikimedia Commons, publiek domein

Video: Bach: Brandenburgs concert nr. 3 in G, BWV 1048, eerste deel, Berliner Philharmoniker (kanaal: Berliner Philharmoniker - Topic). Wat hoor je? Strijkers spelen een voortdurende, regelmatige stroom korte noten, terwijl de lage strijkers de baslijn aanhouden. Goede antwoord: barok, met barokke motoriek en een basso continuo als fundament.

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

BAROK: VORMEN EN KLANK

  • Een concerto grosso zet een kleine solistengroep (concertino) tegenover het hele orkest (tutti).

  • In een soloconcert speelt één solo-instrument tegenover het orkest.

  • De fuga is een strak gebouwd polyfoon stuk waarin een thema door alle stemmen gaat.

  • In opera en oratorium wisselt het recitatief (de tekst volgen) met de aria (een zangerige melodie).

  • Een suite is een reeks dansen, zoals sarabande en menuet; versieringen sieren de melodie.

Syllabus barok: dubbelkorigheid, concertino en tutti, solo-instrument in een soloconcert, terrassendynamiek, analyseren van een fuga (zie het onderwerp polyfonie, canon en fuga), recitatief en aria, suite met sarabande en menuet, waarnemen van versieringen. Veelgemaakte fout: de aria beschouwen als gesproken zang. Het recitatief volgt de tekst bijna als spraak, de aria is de melodische uitwerking.

Joseph Haydn, portret door John Hoppner (1791)

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

CLASSICISME: HELDER EN EVENWICHTIG

  • Het classicisme (ca. 1750-1820) zoekt evenwicht: Haydn en Mozart horen bij de eerste Weense school.

  • Melodieën hebben een strenge periodebouw: een voorzin, gevolgd door een nazin van gelijke lengte.

  • Motieven bestaan uit drieklanken en toonladderfiguren; cadensen sluiten zinnen af.

  • De begeleiding is vaak een albertijnse bas: gebroken akkoorden in de linkerhand.

Syllabus classicisme: drieklank als basis van motieven, strenge periodebouw, toonladderfiguren, cadensen aanwijzen en albertijnse bassen herkennen; eerste Weense school is kennis. Veelgemaakte fout: de albertijnse bas verwarren met de basso continuo. Bij de albertijnse bas speelt één hand gebroken akkoorden, de basso continuo is de baslijn met akkoorden uit de barok. Image credit: John Hoppner / Wikimedia Commons, publiek domein

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

CLASSICISME: KLANK EN VORMEN

  • Het klassieke symfonieorkest is kleiner dan het latere: strijkers, houtblazers, hoorns, trompetten en pauken.

  • Kamermuziek: het strijkkwartet (twee violen, altviool en cello) is de bekendste combinatie.

  • Overgangsdynamiek is geleidelijk luider of zachter, naast unisono-momenten van alle stemmen.

  • Contrast zit in majeur-mineur, tonica-dominant, hard-zacht, tutti-solo en snel-langzaam.

  • De symfonie en de sonate hebben een hoofdvorm met expositie, doorwerking en reprise.

Syllabus classicisme: klassiek symfonieorkest, strijkkwartet en kamermuziekcombinaties herkennen, overgangsdynamiek, unisono-momenten, contrastwerking vaststellen, hoofdvorm analyseren (het menuet als symfoniedeel en het ontstaan van symfonie en sonate zijn kennis, zie het onderwerp symfonische structuren). Veelgemaakte fout: overgangsdynamiek verwarren met terrassendynamiek uit de barok. Bij overgangsdynamiek groeit het volume geleidelijk.

Wat is de basso continuo?

A

Een dans in driedelige maat met nadruk op tel twee

B

Een kleine solistengroep tegenover het orkest

C

Een lang aangehouden lage toon onder de melodie

D

Een baslijn met akkoorden als fundament van het werk

De basso continuo is de baslijn met akkoorden die in de barok het fundament vormt. De aangehouden lage toon is de bourdon uit de middeleeuwen, de solistengroep is het concertino.

Frédéric Chopin, portret door Eugène Delacroix (1838)

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

ROMANTIEK: EXPRESSIE EN CLIMAX

  • De romantiek (ca. 1820-1900) stelt gevoel voorop: brede melodieën leiden naar een climax of een rust.

  • Rubato, ritenuto en accelerando maken het tempo vrij en geven de melodie uitdrukking.

  • In de harmonie neemt de chromatiek toe en worden de grenzen van de tonaliteit opgezocht.

  • Het orkest groeit (bijvoorbeeld harp en tuba), solisten tonen virtuositeit en het kunstlied bloeit.

Syllabus romantiek: romantische melodievoering met brede bogen naar een climax of rust en virtuositeit herkennen, toenemende chromatiek, leidtoonspanningen, overgangsdynamiek en sforzando, ritenuto, accelerando en rubato, kamermuziekcombinaties, uitbreiding van het orkest, kunstlied (coupletlied, gevarieerd coupletlied en doorgecomponeerd lied: zie het onderwerp liedsoorten). Veelgemaakte fout: rubato zien als een versnelling. Rubato is het vrij omgaan met het tempo, nu eens wat sneller en dan weer wat langzamer. Image credit: Eugène Delacroix / Wikimedia Commons, publiek domein

Claude Monet, Impression, soleil levant (1872)

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

IMPRESSIONISME: KLANKKLEUR EN SFEER

  • Het impressionisme (rond 1900) maakt sfeer en klankkleur belangrijker dan een strakke vorm.

  • De melodie doorbreekt de periodebouw en het metrum klinkt vrijer en zweverig.

  • Debussy gebruikt pentatonische klanken, de heletoonstoonladder en kerktoonsoorten.

  • Typisch zijn verglijdende instrumentatie, zachte klanken, gedempt koper, arpeggio's en glissando's.

Syllabus impressionisme: doorbreken van periodieke zinsbouw, vrijer gebruik van het metrum, verglijdende instrumentatie, technieken en speelmanieren (sonore zachte klanken, gedempt koper, arpeggio, glissando). Het impressionisme als kunstrichting en de toonladders zijn kennis. Veelgemaakte fout: impressionisme en romantiek door elkaar halen. De romantiek gaat om een brede melodie met climax, het impressionisme om kleur en sfeer. Image credit: Claude Monet / Wikimedia Commons, publiek domein

Video: Debussy: Prélude à l'après-midi d'un faune, Berliner Philharmoniker (kanaal: Berliner Philharmoniker). Wat hoor je? Een solofluit speelt een kronkelende melodie in een vrij, zweverig ritme, met zachte orkestklanken eronder. Goede antwoord: impressionisme.

Arnold Schönberg, foto van Man Ray (ca. 1927)

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

EXPRESSIONISME EN NEOCLASSICISME

  • Het expressionisme (de tweede Weense school van Schönberg, Berg en Webern) toont innerlijke spanning.

  • Kenmerken: atonaliteit, veel dissonanten, grillige melodieën en maatwisseling.

  • Schönberg ontwikkelt de dodecafonie met twaalf tonen, later uitgebreid tot seriële muziek.

  • Het neoclassicisme keert terug naar oude structuren, zoals oude dansvormen.

Syllabus expressionisme: grillige, vaak complexe melodiebouw, maatwisseling, atonaliteit, veelvuldig voorkomen van dissonanten, ostinate figuren, nieuwe instrumentaties met uitgebreid slagwerk en onconventioneel gebruik van instrumenten en stem. Kennis: tweede Weense school, dodecafonie, seriële technieken en technieken als kreeft en omkering. Neoclassicisme: terugkomen van vroegere structuren, bijvoorbeeld oude dansvormen. Veelgemaakte fout: atonaliteit zien als willekeurige noten. Het gaat om muziek zonder grondtoon of toonsoort, meestal wel met een strakke opbouw. Image credit: Man Ray / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

NA 1950: NIEUWE KLANKEN

  • Elektronische muziek is gemaakt met apparatuur en klinkt als geen enkel traditioneel instrument.

  • Avant-garde zoekt nieuwe wegen: clusters (veel naburige tonen tegelijk) en onconventioneel gebruik van instrumenten en stem.

  • Een grafische partituur gebruikt tekens in plaats van noten.

  • Minimal music werkt met korte motieven die zich herhalen en geleidelijk veranderen.

  • Je herkent minimal music aan een vaste puls, veel herhaling en kleine verschuivingen, zonder grote climax.

Syllabus 20e en 21e eeuw: elektronische muziek herkennen, avant-garde (clusters, onconventioneel gebruik van instrumenten en stem herkennen, grafische partituur als kennis) en minimal music herkennen (het principe van de geleidelijke verandering als basis van de compositie). Veelgemaakte fout: minimal music zien als eenvoudige muziek. Het gaat om herhaling met geleidelijke verandering.

Welk kenmerk past bij het impressionisme?

A

Strenge periodebouw met albertijnse bassen

B

Een basso continuo als fundament

C

Een reeks van twaalf tonen als basis

D

Klankkleur en sfeer boven een strakke periodebouw

Het impressionisme zet sfeer en klankkleur voorop en doorbreekt de periodebouw. De albertijnse bas hoort bij het classicisme, de twaalftoonsreeks bij de dodecafonie.

Wat is een cluster?

Goed: veel naburige tonen die tegelijk klinken. Verwachte fout: een cluster omschrijven als een akkoord van drie tonen of als een groep instrumenten.

Welke periode vond je het lastigst te herkennen?

1

Middeleeuwen en renaissance

2

Barok en classicisme

3

Romantiek en impressionisme

4

Expressionisme en avant-garde

Gebruik de uitslag om in de examentraining extra aandacht te geven aan de periodes die de meeste leerlingen lastig vinden.

Hoe plaats je een onbekend werk in een tijd?

Goed: luister naar melodie, ritme, harmonie en klankkleur en kies een periode op basis van hoorbare kenmerken. Verwachte fout: alleen op een bekende naam of op 'het klinkt oud' vertrouwen.

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

BEGRIPPEN (1/2)

  • gregoriaans: eenstemmige Latijnse kerkmuziek zonder instrumenten, met vrije ritmiek

  • organum: oudste vorm van meerstemmigheid: een tweede stem zingt mee met de gregoriaanse melodie

  • renaissance: periode (ca. 1450-1600) met polyfone koormuziek, imitatie en doorimitatie

  • barok: periode (ca. 1600-1750) met basso continuo, motoriek, concerto, fuga en opera

  • basso continuo: baslijn met akkoorden als fundament van een barokwerk

Deze slide heeft geen instructies

♪ MUZIEK EN CULTUUR · A3

BEGRIPPEN (2/2)

  • classicisme: periode (ca. 1750-1820) met periodebouw, albertijnse bas, strijkkwartet en symfonie

  • romantiek: periode (ca. 1820-1900) met brede melodieën, climax, rubato en chromatiek

  • impressionisme: stijl rond 1900 waarin klankkleur en sfeer belangrijker zijn dan strakke vorm

  • avant-garde: muziek die nieuwe wegen zoekt, met onder andere clusters en onconventionele klanken

  • minimal music: muziek met korte motieven die zich herhalen en geleidelijk veranderen

Deze slide heeft geen instructies