Signaleren, observeren en rapporteren module 2

Signaleren, observeren en rapporteren
Wat is het verschil tussen signaleren en observeren?
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Signaleren, observeren en rapporteren
Wat is het verschil tussen signaleren en observeren?

Slide 1 - Tekstslide

Hoe gaat het met je?
A
B
C
D

Slide 2 - Quizvraag

Slide 3 - Video

Slide 4 - Video

Observeren
Bekijk in het volgende filmpje wat er allemaal verandert.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Wat is ......?

Objectief - Subjectief

Slide 7 - Tekstslide

Wat is observeren? 
Observeren = het waarnemen van een persoon en het beschrijven van wat je ziet. 

  • Wanneer je observeert doe je dit doelgericht en volgens een bepaalde methode
  • Je formuleert dus altijd vooraf het doel van je observatie
  • Je beschrijft wie, wat, waar en wanneer je gaat observeren 

Slide 8 - Tekstslide

Objectief en subjectief observeren
-> Wanneer je observeert, is het van belang dat je niet interpreteer. Je blijft dus zo objectief mogelijk

-> Bij objectief observeren mag je je niet laten beïnvloeden door je eigen mening, ervaring, betrokkenheid (dit noem je subjectief)

DUS; 
Objectief: op feiten gebaseerd
Subjectief: op eigen mening gebaseerd 

Slide 9 - Tekstslide

Even oefenen..
Zijn de volgende zinnen objectief of subjectief?

  1.  Zij was erg slordig gekleed.
  2. Het meisje komt de winkel binnen en loopt naar de winterjas
  3. Toen het Joost voor de derde keer niet lukte, gooide hij de puzzel op de grond
  4. Die lamp is waanzinnig duur
  5. De jongen kijkt op zijn horloge
timer
5:00

Slide 10 - Tekstslide

Hoe beschrijf je emoties?
Zo concreet mogelijk.

Slide 11 - Tekstslide

Met je eigen observatie aan de slag
Geef aan wat objectief en wat subjectief beschreven is.
Hoe vaak heb je een emotie omschreven, probeer deze eens concreet te maken
Bespreken in 3-4 tallen

Slide 12 - Tekstslide

Planmatig aanpakken
Technieken en methoden

Slide 13 - Tekstslide

Koppelen van theorie
Op ziektebeeld - Ontwikkelingsniveau

Slide 14 - Tekstslide

Wat heb je nodig voor een goede observatie? 

  1.  Geen haast, hoofd leeg
  2.  Kijk als een ander denkt dat je niet kijkt
  3.  Observeer meerdere keren in verschillende situaties
  4.  Bedenk/ bespreek jouw interpretatie

Slide 15 - Tekstslide

Valkuilen
  • Vooroordelen positief en negatief
  • Interesse
  • Emoties
  • Eerder opgedane ervaringen
  • Vermoeidheid
  • Je checkt je observaties niet

Slide 16 - Tekstslide

Observatieplan
Een observatieplan stel je op, omdat je niet zomaar kunt observeren.  Dit overleg je vooraf bijvoorbeeld met je begeleider
Observeren is dus doelgericht! 

Om doelgericht te werken, moet je precies weten wat je moet doen. 
Dit beschrijf je in een observatieplan


Slide 17 - Tekstslide

Stappenplan
  1. De aanleiding voor de observatie;
  2. Observatie doel + doelgroep
  3. Het concrete gedrag
  4. Observatiecategorieën
  5. Observatie methode;
  6. De plaats, situatie, data, tijdstippen en uitvoerders van de observatie;
  7. Hoe de resultaten worden verwerkt;
  8. Algemene gegevens







Slide 18 - Tekstslide

Stap 1: beginsituatie
Aanleiding voor observatie, dus waarom observeren 

Mogelijke onderwerpen: 
klachten, vermoedens?

Voorbeeld: J. gedraagt zich anders dan voorheen. Ze is stiller en heeft minder contact met de andere kinderen 



Slide 19 - Tekstslide

Stap 2: achtergrondinformatie 
Wat weet je al over het kind of de situatie? 
  1. Kind gegevens: leeftijd, geslacht, medicijngebruik?
  2. Thuissituatie: opvoeder, broers/zussen
  3. Gedrag: ontwikkelt het kind zich naar zijn leeftijd?

Slide 20 - Tekstslide

Observatie doelgroep + doel 
  • Observatiedoelgroep:
wie ga je observeren?
een kindje of een groep kinderen 
maak het anoniem

  • Observatiedoel:
Wat wil je te weten komen?
observatiedoel beginnen met: 'Ik wil weten..' ' Ik wil weten hoe het komt dat..'

Slide 21 - Tekstslide

Stap 4: observatievragen
Op welk gedrag en welke activiteiten ga je precies letten?
Op welke vragen wil je na de observatie antwoord op hebben?

Vragen sluiten aan bij het doel!

Voorbeeld:
- Tijdens welke activiteit slaat Kim een ander kindje?
- Welk kind wordt door Kim geslagen?
- Op welk moment van de dag slaat Kim?


Slide 22 - Tekstslide

Observatiemoment 
Op welk moment?
- Datum, tijdstip en plaats 
Hoe lang. Hou rekening met observatiedoel

Voorbeeld: ik ga Kim observeren op 2 april tussen 12:00 uur en 12:15 uur tijdens het buitenspelen

Slide 23 - Tekstslide

Stap 6: observatiehulpmiddelen

Hulpmiddelen die je in kunt zetten;
- Stopwatch
- Pen en papier
- Laptop/ Ipad
- Camera of mobiel


Slide 24 - Tekstslide

Stap 7: manier van rapporteren
Hoe breng je het verslag uit aan je collega's? 
1. Mondeling of schriftelijk?
2. Waarom?
3. Wat zijn de voor en nadelen hiervan?



Slide 25 - Tekstslide