11.2.LSJ-2 U4 - Wederkerende werkwoorden

BONJOUR ET BIENVENUE!
Bonjour
et 
bienvenue!!
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

BONJOUR ET BIENVENUE!
Bonjour
et 
bienvenue!!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le programme

1. Quizlet life
3. regelmatige ww  
4. Grammaire II - wederkerende ww
                           

Slide 2 - Tekstslide

B= 8
O= Gram I ex 5.4 A1 t/m A5
B = Ecouter ex. 9 et 10
O = Ecouter ex. 5.5 A 1 en A5
B = Ecouter ex. 20
O = Ecouter ex. 5.7 A4

11.2 - wederkerende ww

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

eerst herhalen we het regelmatig ww op -er

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Le présent
Le passé composé

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Je kunt regelmatige werkwoorden vervoegen in de présent en in de passé composé.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even herhalen uit klas 1....

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Pak je schrift en schrijf op ....

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden op ER in de PRÉSENT
Stap 1 : Neem het hele werkwoord. 
Bijvoorbeeld PARLER
Stap 2: Knip hier ER vanaf. 
Bijvoorbeeld PARL
Stap 3: Plak hier de juiste uitgang achter:

timer
1:30

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Présent = tegenwoordige tijd
Je parle                    = ik praat
Tu parles                  = jij praat
Il parl                      = hij praat
Elle parl                = zij praat
On parle                   = Men praat / we praten
Nous parlons         = Wij praten
Vous parlez             = Jullie praten / U praat
Ils parlent                 = Zij praten (mannelijk)
Elles parlent            = Zij praten (vrouwelijk)

timer
3:00

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

(chanter) Je ...................dans un groupe de rock.

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

( parler) Nous ....................... de notre prof.

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

(danser) ils .................. toute la nuit.

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

( habiter) On ..................... à Pijnacker.

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

(raconter) Elle .............. cette histoire à tout le monde.

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

(voyager) vous ............... souvent?

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

(chanter) il ...... bien!

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

(jouer) ils ................ un jeu vidéo.

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zet het werkwoord in de juiste vorm in de présent

( trouver) Comment tu ........... ce film?

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maken: 

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

noem 'n NL wederk ww

Slide 22 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

wederkerende ww herkennen
Je herkent een wederkerend werkwoord in het Nederlands aan het woordje 'zich' (zich wassen, zich vergissen enz.)

In het Frans herken je een wederkerend werkwoord aan het woordje 'se' (se laver, se tromper etc.)

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

vervoeging wederkerende ww
Wederkerende ww worden net als alle andere ww op -er vervoegd, maar er komt een wederkerend voornaamwoord bij:
je me / m'
tu te / t'
il/ elle/ on se / s'
nous nous
vous vous
ils/elles se / s'

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

se tromper = zich vergissen
je me trompe
tu te trompes
il/ elle/ on se trompe
nous nous trompons
vous vous trompez
ils/elles se trompent

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

se concentrer - je
A
je concentre me
B
je me concentre
C
je se concentre
D
je concentre je

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

s'arrêter - nous
A
nous s'arrêtons
B
nous arrêtons nous
C
nous nous arrêter
D
nous nous arrêtons

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

jij vermaakt je (s'amuser)
A
tu s'amuse
B
tu t'amuse
C
tu s'amuses
D
tu t'amuses

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

zij kleedt zich aan (s'habiller)

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

u wast zich (se laver)

Slide 30 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

in 't NL niet wederkerend
- gaan slapen = se coucher
- opstaan = se lever
- douchen = se doucher
- uitlachen = se moquer de
- heten = s'appeler
- stoppen = s'arrêter
- trainen = s'entraîner
- wandelen = se promener

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

passé composé wederk ww
Wederkerende ww worden in de passé composé ALTIJD vervoegd met hulpww être !! Dus ook als het hulpww in het NL 'hebben' is:
- ik heb me vergist = je me SUIS trompé(e)
- zij heeft zich gewassen = elle s'EST lavée
- wij hebben ons vermaakt = nous nous SOMMES amusés

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

se tromper - passé composé
je me suis trompé(e)
tu t'es trompé(e)
il/elle s'est trompé(e)
nous nous sommes trompé(e)s
vous vous êtes trompé(e)(s)
ils/elles se sont trompé(e)s

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

hij heeft zich aangekleed (s'habiller)
A
il a s'habillé
B
il s'a habillé
C
il est s'habillé
D
il s'est habillé

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

wij zijn gestopt (s'arrêter)
A
nous sommes arrêtés
B
nous sommes nous arrêtés
C
nous nous sommes arrêtés
D
nous se sommes arrêtés

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

zij heeft zich gehaast (se dépêcher)
A
elle a se dépêché
B
elle s'est dépêchée
C
elle est se dépêchée
D
elle s'a dépêché

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

ik heb me gewassen (se laver)

Slide 37 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

zij (mnl) hebben zich vergist (se tromper)

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

au travail!
maken van Grammaire II
zie studiewijzer

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

C'est fini!

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies