B1-Hft-12.3

Hft-12.3

Driehoeken en vierhoeken

1 / 7
volgende
Slide 1: Slide
newEditorWisSecondary Education

In deze les zitten 7 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hft-12.3

Driehoeken en vierhoeken

Theorie

Een driehoek met een hoek van 90° heet een rechthoekige driehoek.


Een driehoek met twee even lange zijden heet een gelijkbenige driehoek. De hoeken in een gelijkbenige driehoek die even groot zijn, noem je de basishoeken. De andere hoek noem je de tophoek. De symmetrieas verdeelt deze driehoek in twee rechthoekige driehoeken.


In een gelijkzijdige driehoek zijn alle drie de hoeken even groot en zijn de drie zijden even lang. Zo’n driehoek heeft drie symmetrieassen en is draaisymmetrisch.


Welke uitspraak is juist?


A. Een gelijkzijdige driehoek heeft maar één symmetrieas.
B. Een rechthoekige driehoek heeft altijd drie even lange zijden.
C. Een gelijkbenige driehoek heeft twee even lange zijden.
D. Een gelijkzijdige driehoek heeft een hoek van 90°.

A

Answer A

B

Answer B

C

Answer C

D

Answer D

Opgave 15

Uitwerking

Theorie

Een vierhoek waarvan een diagonaal symmetrieas is, heet een vlieger.

Een vierhoek waarvan beide diagonalen symmetrieassen zijn, heet een ruit.

Een vierhoek die draaisymmetrisch is, heet een parallellogram.

Welke uitspraak is juist?

A. Een vlieger heeft altijd twee diagonalen die symmetrieassen zijn.
B. Een ruit heeft twee diagonalen die symmetrieassen zijn.
C. Een parallellogram heeft vier even lange zijden.
D. Een vlieger heeft geen gelijke zijden.

A

Answer A

B

Answer B

C

Answer C

D

Answer D

Huiswerk