Tegenwoordige tijd jaar 3 2025

Mevrouw de Cuba
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Mevrouw de Cuba

Slide 1 - Tekstslide

5 min

Programa
5 min- bienvenidos 
5 min - los deberes 
15 min - Studygo
20 min - los verbos regulares 
15 min - escaperooom 
20 min - detective por in día

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies




timer
15:00

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Los verbos regulares
De regelmatige werkwoorden

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

- die eindigen op -ar, zoals:
    - hablar (spreken / praten)
    - bailar (dansen)
- die eindigen op -er, zoals: 
    - leer (lezen)
    - comer (eten)
- die eindigen op -ir, zoals:
    - vivir (leven / wonen)
    - escribir (schrijven)
Er zijn drie soorten werkwoorden in het Spaans:
Hoe vervoegen we deze werkwoorden?

spreken = ik spreek, jij spreekt
hablar = yo hablo, tú hablas

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

STAM + UITGANG
Let op de klemtoon!
In de tegenwoordige tijd valt de klemtoon altijd op de stam, behalve bij de eerste en tweede persoon meervoud (nosotros en vosotros). Dan valt het op de eerste klinker van de uitgang.
Tegenwoordige tijd

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

-ar
-er
-ir
yo
-o
-o
-o
-as
-es
-es
él / ella / usted
-a
-e
-e
nosotros/as
-amos
-emos
-imos
vosotros/as
-áis
-éis
-ís
ellos/as / ustedes
-an
-en
-en
persoonlijk voornaamwoord
Weetje: Het persoonlijk voornaamwoord 'u' drukte oorspronkelijk een derde persoon uit: 'u heeft'. Maar tegenwoordig wordt 'u' veelal als tweede persoon enkelvoud aangevoeld (net als 'jij') en dan is het 'u hebt'.


Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In het Spaans wordt de persoonlijk voornaamwoord meestal niet gebruikt. Alleen als je deze wil benadrukken.

Ik woon in Den Haag = Vivo en La Haya

Wie woont in Den Haag? Yo vivo en La Haya.

Je woont = vives
Jij woont = tú vives


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ik heet
A
me llamas
B
te llamas
C
me llamo
D
te llamo

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

we spreken
A
hablas
B
habláis
C
habla
D
hablamos

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

jullie wonen
A
vivís
B
viven
C
vivo
D
vivimos

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

ik eet
A
come
B
como
C
comen
D
coméis

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

jullie leren
A
aprendo
B
aprendes
C
aprendemos
D
aprendéis

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

ik
jij
hij / zij
wij
jullie
zij (meervoud)
nosotros/as
yo
él / ella
ellos/as
vosotros/as

Slide 14 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik spreek
je spreekt
u spreekt
we spreken
jullie spreken
ze spreken
hablamos
habla
hablas
habláis
hablo
hablan

Slide 15 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik woon
je woont
ze woont
we wonen
jullie wonen
ze wonen
vive
vivís
vivo
viven
vives
vivimos

Slide 16 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik leer
je leert
hij leert
we leren
jullie leren
ze leren
aprenden
aprendéis
aprendo
aprendes
aprendemos
aprende

Slide 17 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies


wonen = vivir
Je woont in Valencia.
________ en Valencia.

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


De broer van Eva woont in Spanje.
El hermano de Eva ________ en España.

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Waar wonen jullie?
¿Dónde _________ ?

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies