In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.
Onderdelen in deze les
Nieuw logo
Slide 1 - Tekstslide
Deze slide heeft geen instructies
spelling
Doel:
Ik weet wanneer ik een trema moet gebruiken als in een woord twee klinkers botsen en ik kan deze woorden zonder fouten schrijven.
Slide 2 - Tekstslide
Bespreek het doel van deze les. Wat gaan de leerlingen oefenen/leren?
Slide 3 - Video
Deze slide heeft geen instructies
Slide 4 - Video
Deze slide heeft geen instructies
Wij maken woorden met klinkersen medeklinkers. Wanneer twee klinkers samen een nieuwe klank maken dan noemen we dat een dubbelklank. Maar wanneer twee klinkers naast elkaar staan die geen nieuwe klank maken dan noemen we dat klinkerbotsing. Wanneer twee klinkers in een woord botsen gebruiken we het tremazodat we het woord juist uitspreken.
Slide 5 - Tekstslide
Leg uit:
Wij maken woorden met klinkers en medeklinkers. Wanneer twee klinkers samen een nieuwe klank maken dan noemen we dat een dubbelklank. Maar wanneer twee klinkers naast elkaar staan die geen nieuwe klank maken dan noemen we dat klinkerbotsing. Wanneer twee klinkers in een woord botsen gebruiken we het trema zodat we het woord juist uitspreken.
Bekijk via het oogje de woordkaart.
Slide 6 - Tekstslide
Bekijk samen de woordkaart. Klik op het oogje om de woordkaart te openen. Daarna heb je de mogelijkheid om de afbeelding te vergroten (inzoomen).
Waar zet ik het trema?
mozaiek.
Slide 7 - Open vraag
Antwoord: mozaïek.
Waar zet ik het trema?
ideeen
Slide 8 - Open vraag
Antwoord: ideeën.
Waar zet ik het trema?
Israel
Slide 9 - Open vraag
Antwoord: Israël.
Waar zet ik het trema?
pinguin
Slide 10 - Open vraag
Antwoord: pinguïn.
Waar zet ik het trema?
sleeen
Slide 11 - Open vraag
Antwoord: sleeën.
Een trema maakt duidelijk hoe je een woord uitspreekt.
A
waar
B
niet waar
Slide 12 - Quizvraag
Antwoord A: waar.
Schrijf je de onderstaande woorden met of zonder trema?
Met trema
Zonder trema
efficient
coordinatie
elektricien
geijsbeerd
genitalien
geinfiltreerd
petroleum
gelinieerd
uitzaaiingen
naief
industrieel
Italie
reunie
financien
Slide 13 - Sleepvraag
Laat de leerlingen de woorden sorteren op zonder trema en met trema.
Slide 14 - Video
Deze slide heeft geen instructies
Slide 15 - Video
Deze slide heeft geen instructies
Ook in het meervoud krijgen sommige woorden een trema voor de uitspraak zoals:
idee - ideeën
kopie - kopieën.
Het trema geeft aan dat een nieuwe klankgroep begint.
Slide 16 - Tekstslide
Leg uit.
Ook in het meervoud krijgen sommige woorden een trema voor de uitspraak zoals:
idee - ideeën
kopie - kopieën.
Het trema geeft aan dat een nieuwe klankgroep begint.
Wanneer krijgt een woord in het meervoud een trema?
Woorden die eindigen op:
-ie of -ee en waarbij het meervoud NIET op een -s eindigt.
Slide 17 - Tekstslide
Leg bovenstaande uit.
De klemtoon bepaalt waar je het trema plaatst:
als de klemtoon op het laatste stukje van het woord valt, komt er in het meervoud -ën achter het grondwoord.
Voorbeeld: melodie - melodieën.
Als de klemtoon NIET op het laatste stukje van het woord valt, komt er in het meervoud een trema op de laatste -e van het grondwoord en komt er alleen een -n achter.
Voorbeeld: olie - oliën.
Slide 18 - Tekstslide
Leg bovenstaande uit.
Laat leerlingen vragen stellen.
Schrijf het meervoud van idee.
Slide 19 - Open vraag
Antwoord ideeën.
Schrijf het meervoud van kopie.
Slide 20 - Open vraag
Antwoord kopieën.
Schrijf het meervoud van ree.
Slide 21 - Open vraag
Antwoord reeën.
Schrijf het meervoud van zee.
Slide 22 - Open vraag
Antwoord zeeën.
Schrijf het meervoud van wee.
Slide 23 - Open vraag
Antwoord weeën.
Heeft iemand nog een vraag?
Voor groep 7 stopt hier de instructie. Jullie kunnen aan de slag met het werkblad.
Groep 8 mag nog even blijven zitten. Jullie gaan leren wanneer je een accent op een woord moet zetten.
Slide 24 - Tekstslide
Heeft iemand nog een vraag?
Voor groep 7 stopt hier de instructie. Jullie kunnen aan de slag met de werkbladen en de weektaak.
Groep 8 mag nog even blijven zitten. Jullie gaan leren wanneer je een accent op een woord moet zetten.
Accenten plaatsen.
Een accent plaats je om een klank of klemtoon aan te geven in een woord.
Eerder leerde je al het trema (ë) die een nieuwe klank aangeeft, maar er zijn nog meer accenten in het Nederlands.
We leren in deze les: accent aigu (é), accent grave (è) en accent circonflexe (ê). Deze accenten komen vanuit het Frans.
Slide 25 - Tekstslide
Leg uit dat de instructie gaat over het plaatsen van accenten en welke accenten ze in deze les gaan leren.
Accent aigu (é) gebruiken we wanneer een enkele e als lange klank uitgesproken moet worden bijvoorbeeld saté. Maar we gebruiken accent aigu ook om een klemtoon aan te geven bijvoorbeeld nú of vóór.
Slide 26 - Tekstslide
Leg dit uit...
Zet het accent aigu op de volgende woorden (maak een rijtje): sate, coupe, cafe, he, prive
Slide 27 - Open vraag
Antwoord:
saté
coupé
café
hé
privé
In het meervoud schrijven we nog steeds accent aigu (é) maar plakken we een -s aan het woord vast zoals satés. Wanneer we het woord verkleinen vervalt het accent, sateetje(s).
Slide 28 - Tekstslide
Leg uit.
In het meervoud schrijven we nog steeds accent aigu (é) maar plakken we een -s aan het woord vast zoals satés. Wanneer we het woord verkleinen vervalt het accent, sateetje(s).
Zet de volgende woorden (maak een rijtje) in het meervoud: sate, coupe, cafe.
Slide 29 - Open vraag
Antwoord:
satés
coupés
cafés
Accent grave (è) gebruiken we wanneer een enkele e als korte klank uitgesproken moet worden bijvoorbeeld scène. Maar we gebruiken accent grave ook om een klemtoon aan te geven bijvoorbeeld hè.
Slide 30 - Tekstslide
Leg dit uit..
Zet het accent grave op de volgende woorden (maak een rijtje): creme, apres-ski, etagere, scene.
Slide 31 - Open vraag
Antwoord:
crème
après-ski
etagère
scène
Het accent circonflexe wordt bijna niet meer gebruikt, we leren een paar woorden met dit accent. Dit zijn leenwoorden uit het Frans zoals: crêpe, enqûete, gemêleerd en gênant.
Slide 32 - Tekstslide
Leg dit uit..
Welk woord is juist geschreven?
A
cafeetje
B
caféetje
C
cafeétje
D
cafèetje
Slide 33 - Quizvraag
Antwoord A: cafeetje.
Welk woord is juist geschreven?
A
crèpe
B
crêpe
C
crépe
D
crepe
Slide 34 - Quizvraag
Antwoord B: crêpe.
Welk woord is juist geschreven?
A
aprés-ski
B
apres ski
C
après ski
D
après-ski
Slide 35 - Quizvraag
Antwoord D: après-ski.
Heb je nog vragen? Is alles zo duidelijk? Dan mag je aan de slag met het werkblad succes!
Slide 36 - Tekstslide
Heb je nog vragen? Is alles zo duidelijk? Dan mag je aan de slag met het werkblad succes!
Slide 37 - Video
Deze slide heeft geen instructies
Reflecteren
Slide 38 - Tekstslide
Laat de leerlingen antwoord geven op de reflectievragen.
Je kan dit mondeling doen, maar je kan er ook voor kiezen om dit te laten invullen op het reflectieblad dat als bijlage is toegevoegd. Dit blad kan daarna ook opgenomen worden in de portfoliomap.
Deze les is gemaakt door TisTaal by Dutchily. Op de vermelde bronnen na, alle rechten voorbehouden aan team Dutchily.