Macro-economische kringloop (Economie vwo), les 3: Terugblik quiz

WELVAART · KRINGLOOP

Quiz

Terugblik: Macro-economische kringloop

1 / 13
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblikquiz met tien vragen over afschrijvingen, de categoriale inkomensverdeling, AIQ en loonkosten per eenheid product, de financiële kringloop, het nationaal spaarsaldo en de betalingsbalans.

Onderdelen in deze les

WELVAART · KRINGLOOP

Quiz

Terugblik: Macro-economische kringloop

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Alf van Beem / Wikimedia Commons, CC0

Welk bedrag hoort wel bij het bbp, maar niet bij het nationaal inkomen?

A

Winst

B

Loonsom

C

Rente

D

Afschrijvingen

Het bbp is bruto en bevat de afschrijvingen; het nationaal inkomen (netto) is arbeids- plus kapitaalinkomen. Winst, loonsom en rente zijn inkomen.

Vul in

Bij de categoriale inkomensverdeling gaat het om de bron van het inkomen: arbeidsinkomen of kapitaalinkomen, zoals rente of huur.

categoriale inkomensverdeling
arbeidsinkomen
kapitaalinkomen
bestedingsmethode
toegevoegde waarde

De categoriale verdeling kijkt naar de bron van het inkomen, niet naar personen.

Welke ontwikkeling zorgt voor een daling van de AIQ?

A

Arbeidsinkomen groeit sneller dan kapitaalinkomen

B

Kapitaalinkomen groeit sneller dan arbeidsinkomen

C

De loonsom stijgt terwijl de winst daalt

D

Arbeidsinkomen blijft gelijk, nationaal inkomen daalt

De AIQ is het deel van het nationaal inkomen dat naar arbeid gaat. Groeit het kapitaalinkomen procentueel sneller, dan daalt dat deel. Bij de andere drie stijgt de AIQ.

Wanneer stijgen de loonkosten per eenheid product?

A

Productie per uur stijgt sneller dan loon per uur

B

Loon en productie per uur stijgen even snel

C

Loon per uur stijgt sneller dan productie per uur

D

Productie per uur stijgt, loon per uur blijft gelijk

LKP = loon per uur : productie per uur. De LKP stijgt als de teller sneller groeit dan de noemer. Bij de andere drie blijft de LKP gelijk of daalt hij.

Waarom geven de bestedingsmethode en de subjectieve methode hetzelfde bbp?

A

Bestedingen van de een zijn inkomen van een ander

B

Export en import zijn in elk land altijd gelijk

C

Afschrijvingen zijn altijd precies gelijk aan de winst

D

De overheid bepaalt zelf hoe hoog alle inkomens zijn

Elke euro die iemand uitgeeft, is inkomen van een ander: bestedingen en inkomens zijn twee kanten van dezelfde stroom.

I stijgt, O - B en E - M blijven gelijk. Wat gebeurt er met S?

A

S daalt, want er is minder te sparen

B

S stijgt even sterk als I

C

S blijft gelijk, want sparen staat vast

D

S daalt even sterk als I

Volgens S = I + (O - B) + (E - M) moet S met dezelfde hoeveelheid stijgen als I: investeringen worden gefinancierd uit sparen.

Wat is het nationaal spaarsaldo?

A

Particulier spaarsaldo min overheidssaldo

B

Sparen van huishoudens plus sparen van bedrijven

C

Investeringen plus overheidsbestedingen

D

Particulier spaarsaldo plus overheidssaldo

Nationaal spaarsaldo = (S - I) + (B - O). Verwachte fout: het overheidssaldo aftrekken in plaats van optellen.

Huishoudens sparen bij een bank. Wat is dat geld voor de huishoudens?

A

Een vordering op de bank

B

Een verplichting aan de bank

C

Consumptie door huishoudens

D

Belasting aan de overheid

De vordering van de een is de verplichting van de ander: de huishoudens hebben een vordering op de bank, de bank een verplichting aan de huishoudens.

Welke transactie staat op de lopende rekening van Rijnland?

A

Een Rijnlands pensioenfonds koopt Amerikaanse aandelen

B

Een Rijnlandse bank leent geld uit aan Chili

C

Een Duitse toerist logeert in een Rijnlands hotel

D

Een Chinees fonds koopt Rijnlandse staatsobligaties

Logeren in een hotel is een reële transactie (export van een dienst). De andere drie zijn financiële transacties en staan op de financiële rekening.

Noem twee onderdelen van de betalingsbalans.

Goed antwoord: de lopende rekening en de financiële rekening. Verwachte fout: de saldi (E - M, S - I) noemen in plaats van de rekeningen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

WELVAART · KRINGLOOP

Goed gedaan!

Je kunt nu het bbp op drie manieren berekenen, de AIQ en de loonkosten per eenheid product uitleggen en met de financiële kringloop en de saldi rekenen. Let bij elke examenvraag op bruto of netto, op het teken van een saldo en op de eenheid.

Deze slide heeft geen instructies