WELVAART · KRINGLOOP
Macro-economische kringloop
Examenstof economie vwo
WELVAART · KRINGLOOP
Macro-economische kringloop
Examenstof economie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: H1.1 Macro-economische begrippen en H1.2 De economische kringloop, reëel en financieel. Image credit: Choinowski / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
WELVAART · KRINGLOOP
Wat ga je kunnen?
Ik kan het bbp, de AIQ en de loonkosten per eenheid product berekenen en de financiële kringloop met de saldi toepassen.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden komen bij je op bij: het inkomen van een land en waar dat geld blijft?
Verwacht: bbp, lonen, winst, sparen, belasting, export, import, banken, afschrijvingen. Groepeer in een woordweb rond drie vragen: hoe meet je het inkomen, hoe wordt het verdeeld en hoe loopt het geld rond. Die drie komen terug in de drie blokken.
WELVAART · KRINGLOOP
Fietsenketen van Rijnland
Objectieve methode: toegevoegde waarde
Het bbp (bruto binnenlands product) is het inkomen van een land: de waarde van de productie in een jaar.
Objectieve methode: bbp = som van de toegevoegde waarde van alle bedrijven.
Toegevoegde waarde = totale omzet - totale kosten van leveringen van derden.
Fietsenketen: 40 + 60 + 90 + 70 = 260 miljard euro, precies de omzet van de winkel.
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.1: "Objectieve methode: inkomen = som toegevoegde waarde = totale omzet – totale kosten leveringen van derden". Controle: ertsmijn 40 - 0 = 40, staalbedrijf 100 - 40 = 60, fietsenfabriek 190 - 100 = 90, fietsenwinkel 260 - 190 = 70, som 260. Zo tel je niets dubbel: elke schakel telt alleen wat hij zelf toevoegt. Veelgemaakte fout: de omzetten optellen (590) in plaats van de toegevoegde waarden. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
WELVAART · KRINGLOOP
Winkelend publiek in de Kalverstraat, Amsterdam, 1965
Bestedingsmethode
Bestedingsmethode: bbp = C + I + O + E - M. Het inkomen Y is gelijk aan het bbp.
C consumptie, I investeringen, O overheidsbestedingen, E export en M import.
Rijnland: 460 + 140 + 160 + 310 - 270 = 800 miljard euro.
Import trek je af: die bestedingen zijn inkomen voor het buitenland, niet voor Rijnland.
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.1: "Bestedingsmethode: inkomen = consumptie + investeringen + overheidsbestedingen + export – import". Controle: 460 + 140 = 600, + 160 = 760, + 310 = 1.070, - 270 = 800. Veelgemaakte fout: de import optellen (1.340) in plaats van aftrekken. Image credit: Ron Kroon / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0
WELVAART · KRINGLOOP
Rijnland: bbp op twee manieren
Subjectieve methode en afschrijvingen
Subjectieve methode: bbp = arbeidsinkomen + kapitaalinkomen + afschrijvingen.
Arbeidsinkomen: loonsom van werknemers plus toegerekende lonen van zelfstandigen.
Kapitaalinkomen: rente, dividend, pacht, huur en winst. Rijnland: 540 + 180 + 80 = 800.
Het bbp is bruto. Min afschrijvingen (80) is het nationaal inkomen (netto): 720.
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.1: "Subjectieve methode: inkomen = arbeidsinkomen (loonsom werknemers + toegerekende lonen zelfstandigen) + kapitaalinkomen (rente, dividend, pacht, huur en winst) + afschrijvingen". Afschrijvingen zijn het waardeverlies van machines en gebouwen door slijtage en veroudering. Ze horen bij het bruto bbp, maar niet bij het inkomen dat bedrijven en huishoudens daadwerkelijk kunnen besteden. In deze les laten we het saldo van inkomens met het buitenland buiten beschouwing. Controle: 540 + 180 + 80 = 800 en 800 - 80 = 720. Veelgemaakte fout: de afschrijvingen vergeten, waardoor je op 720 uitkomt. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
Een kaasmakerij: inkoop melk 90 euro, omzet 210 euro. Toegevoegde waarde?
300 euro
90 euro
120 euro
210 euro
Toegevoegde waarde = omzet - leveringen van derden = 210 - 90 = 120. Verwachte fouten: optellen (300), alleen de inkoop (90) of alleen de omzet (210).
Vul in
Bij de objectieve methode tel je toegevoegde waarden op en bij de subjectieve methode tel je inkomens en afschrijvingen op.
Objectief: wat maakt elk bedrijf. Subjectief: wat verdient iedereen, plus de afschrijvingen omdat het bbp bruto is.
WELVAART · KRINGLOOP
Fietsenwinkel in Amsterdam, 2010
Categoriale inkomensverdeling
De categoriale inkomensverdeling verdeelt het nationaal inkomen over categorieën van inkomen.
De categorieën zijn arbeidsinkomen en kapitaalinkomen: je kijkt naar de bron, niet naar de persoon.
Rijnland: arbeidsinkomen 540 en kapitaalinkomen 180, samen het nationaal inkomen van 720.
Per categorie: 540 van 720 is 75% naar arbeid en 180 van 720 is 25% naar kapitaal.
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.1: "Categoriale inkomensverdeling". Bij een fietsenwinkel krijgt het personeel loon (arbeidsinkomen) en de eigenaar winst (kapitaalinkomen). De categoriale verdeling zegt niets over verschillen tussen personen: een eigenaar kan ook loon ontvangen. Controle: 540 / 720 = 0,75 en 180 / 720 = 0,25. Veelgemaakte fout: de afschrijvingen meetellen in de verdeling. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0
WELVAART · KRINGLOOP
Rijnland in twee jaren
Arbeidsinkomensquote (AIQ)
Arbeidsinkomensquote (AIQ) = arbeidsinkomen : nationaal inkomen x 100%.
Het nationaal inkomen is netto: arbeidsinkomen + kapitaalinkomen, dus zonder afschrijvingen.
Rijnland jaar 1: 540 : 720 x 100% = 75%. Jaar 2: 560 : 800 x 100% = 70%.
De AIQ daalt 5 procentpunt (niet 5%): het kapitaalinkomen groeit sterker (180 naar 240).
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.1: "Loonkosten per eenheid product en de arbeidsinkomensquote (=AIQ) arbeidsinkomen als deel van het nationaal inkomen." Controle: 540 / 720 = 0,75; 560 + 240 = 800 en 560 / 800 = 0,70. Het arbeidsinkomen stijgt in absolute zin (540 naar 560), maar het deel van arbeid in het inkomen daalt. De procentuele verandering van de AIQ is (70 - 75) / 75 = -6,7%, de verandering in procentpunt is -5. Veelgemaakte fout: de afschrijvingen in de noemer zetten. Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
WELVAART · KRINGLOOP
Industrie met een rookpluim bij Terneuzen, 2012
Loonkosten per eenheid product
Loonkosten per eenheid product (LKP) = loonkosten : productie, in euro per product.
Ook: LKP = loonkosten per uur : arbeidsproductiviteit (productie per uur).
Loonkosten per uur 40 euro en 5 producten per uur: LKP = 40 : 5 = 8 euro per product.
Stijgen het loon en de productie per uur allebei 10%, dan blijft de LKP gelijk: 44 : 5,5 = 8.
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.1: "Loonkosten per eenheid product en de arbeidsinkomensquote (=AIQ)". De LKP laat zien hoeveel arbeid een product kost: stijgt de LKP, dan moeten bedrijven de prijs verhogen of nemen ze genoegen met minder winst. Een hoger loon per uur hoeft dus geen hogere LKP te geven als de productie per uur meestijgt. Exact: LKP-verandering = (1 + loonstijging) / (1 + productiviteitsstijging) - 1. Veelgemaakte fout: LKP en loon per uur door elkaar halen. Image credit: FaceMePLS / Wikimedia Commons, CC BY 2.0
Arbeidsinkomen 330, kapitaalinkomen 110, afschrijvingen 40 (mld). AIQ?
75%
68,8%
25%
82,5%
Nationaal inkomen = 330 + 110 = 440. AIQ = 330 / 440 x 100% = 75%. Verwachte fouten: de afschrijvingen in de noemer (330 / 480 = 68,8%), de kapitaalinkomensquote (25%) of de afschrijvingen twee keer aftrekken (330 / 400 = 82,5%).
Vul in
Het arbeidsinkomen gedeeld door het nationaal inkomen geeft de arbeidsinkomensquote (AIQ), uitgedrukt in procenten.
AIQ = arbeidsinkomen : nationaal inkomen x 100%.
WELVAART · KRINGLOOP
Bouwplaats met kranen bij het Oosterdok, Amsterdam, 2006
Van de reële naar de financiële kringloop
Reële kringloop: Y = C + I + O + E - M. De bestedingen van de een zijn het inkomen van een ander.
Het inkomen wordt besteed (C), gespaard (S) of als belasting betaald (B): Y = C + S + B.
Gelijkstellen en C wegstrepen geeft S + B = I + O + (E - M). Breng B naar rechts:
Financiële kringloop: S = I + (O - B) + (E - M). Rijnland: 190 = 140 + 10 + 40.
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.2: "Reële kringloop: Y = C + I + O + E – M. Bestedingen van de een is het inkomen van een ander (evenwicht goederenmarkt). Financiële kringloop: S = I + (O – B) + (E – M)". Y = C + S + B is vereenvoudigd: S is het totale sparen van huishoudens en bedrijven en B de belasting. Controle voor Rijnland: S = 800 - 460 - 150 = 190 en I + (O - B) + (E - M) = 140 + (160 - 150) + (310 - 270) = 140 + 10 + 40 = 190. Veelgemaakte fout: denken dat sparen en investeren apart van de bestedingen lopen. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0
WELVAART · KRINGLOOP
De financiële kringloop
Saldi in de kringloop
De vordering van de een is de verplichting van de ander: wat huishoudens sparen, wordt uitgeleend.
Particulier spaarsaldo = S - I. Overheidssaldo = B - O. Saldo lopende rekening = E - M.
Herschreven: (S - I) + (B - O) = E - M. De som van de eerste twee is het nationaal spaarsaldo.
Rijnland: (190 - 140) + (150 - 160) = 40 = 310 - 270: een overschot. Een negatief saldo is een tekort.
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.2: "Financiële kringloop: S = I + (O – B) + (E – M). De vordering van de een is de verplichting van de ander (evenwicht vermogensmarkt). In open economie: saldo lopende rekening = nationaal spaarsaldo = particulier spaarsaldo + overheidssaldo". Spaarders hebben een vordering op de bank, de bank heeft een verplichting aan de spaarders; de bank leent het geld uit en heeft dan een vordering op de lener. Controle: 50 + (-10) = 40 en 310 - 270 = 40. Een negatief overheidssaldo is een tekort. Veelgemaakte fout: het teken van het overheidssaldo omdraaien (B - O wordt O - B). Image credit: LessonUp Studio (eigen afbeelding), CC0
WELVAART · KRINGLOOP
Containerschip in de haven van Rotterdam
Betalingsbalans en financiële rekening
De betalingsbalans boekt alle transacties tussen een land en het buitenland.
Lopende rekening: reële transacties met het buitenland, zoals export en import van goederen en diensten.
Financiële rekening: financiële transacties met het buitenland, zoals lenen, uitlenen en beleggen.
Bij iedere reële transactie hoort een financiële: machine-export geeft een vordering op het buitenland.
Syllabus economie vwo 2027, H1 Macro-economische kringloop. H1.2: "Voor iedere transactie in de reële sfeer (reële kringloop) bestaat er een transactie in de financiële sfeer (financiële kringloop). Betalingsbalans, lopende rekening (reële transacties met buitenland) en financiële rekening (financiële transacties met buitenland)." Rijnland heeft een overschot van 40 op de lopende rekening: per saldo gaat er 40 aan geld naar het buitenland, dat wil zeggen dat Rijnland 40 uitleent. Dat is de financiële tegenhanger. Wisselkoersen en de samenstelling van de lopende rekening buiten goederen en diensten horen niet bij deze eindterm. Veelgemaakte fout: denken dat een overschot op de lopende rekening geld uit het buitenland oplevert, in plaats van een vordering erop. Image credit: Alf van Beem / Wikimedia Commons, CC0
Een Rijnlands bedrijf exporteert machines. Wat is de financiële transactie?
Een verplichting aan het buitenland
Een vordering op het buitenland
Een boeking op de lopende rekening
Een stijging van het overheidssaldo
Het bedrijf levert machines en krijgt betaald: het heeft een vordering op het buitenland (of een tegoed bij een buitenlandse bank). De export zelf staat op de lopende rekening. Verwachte fout: de lopende rekening kiezen, dat is de reële kant.
Zet op volgorde: de afleiding van de financiële kringloop
Eerst het inkomen verdelen, dan gelijkstellen aan de bestedingen, dan C wegstrepen en tot slot B naar rechts brengen.
Wat vond je het lastigst in deze les?
Bbp, afschrijvingen en inkomen
AIQ en loonkosten per eenheid product
De financiële kringloop afleiden
Saldi en de betalingsbalans
Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.
Waarom klopt S = I + (O - B) + (E - M)?
Goed antwoord: het inkomen wordt besteed, gespaard of betaald aan de overheid; gelijkstellen aan de bestedingen en C wegstrepen geeft de formule. Of: wat gespaard wordt, wordt uitgeleend aan bedrijven, overheid en buitenland. Verwachte fout: alleen de formule herhalen.
WELVAART · KRINGLOOP
Begrippen (1/2)
bbp: Het inkomen van een land: de waarde van de productie in een jaar (bruto).
toegevoegde waarde: Totale omzet min totale kosten van leveringen van derden.
afschrijvingen: Waardeverlies van kapitaalgoederen; bbp min afschrijvingen is het netto nationaal inkomen.
objectieve en subjectieve methode: Som van de toegevoegde waarden; arbeidsinkomen + kapitaalinkomen + afschrijvingen.
categoriale inkomensverdeling: Verdeling van het nationaal inkomen over arbeidsinkomen en kapitaalinkomen.
Deze slide heeft geen instructies
WELVAART · KRINGLOOP
Begrippen (2/2)
arbeidsinkomensquote (AIQ): Arbeidsinkomen : nationaal inkomen x 100%.
loonkosten per eenheid product: Loonkosten : productie, ofwel loon per uur : productie per uur.
reële en financiële kringloop: Y = C + I + O + E - M en S = I + (O - B) + (E - M).
nationaal spaarsaldo: Particulier spaarsaldo (S - I) plus overheidssaldo (B - O), gelijk aan E - M.
lopende rekening en financiële rekening: Reële en financiële transacties met het buitenland: samen de betalingsbalans.
Deze slide heeft geen instructies