Genexpressie en celdifferentiatie (Biologie havo), les 3: Terugblik quiz

ZELFORGANISATIE · GENEXPRESSIE

Quiz

Terugblik: Genexpressie en celdifferentiatie

1 / 13
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met tien vragen over genetische code, eiwitfuncties, genoom, genexpressie, celdifferentiatie en stamcellen.

Onderdelen in deze les

ZELFORGANISATIE · GENEXPRESSIE

Quiz

Terugblik: Genexpressie en celdifferentiatie

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Id711 / Wikimedia Commons, publiek domein

Vul in

Volgens de genetische code bepaalt de nucleotidenvolgorde van een gen welk eiwit er wordt gemaakt.

genetische code
nucleotidenvolgorde
genoom
startcodon

De nucleotidenvolgorde van het gen bepaalt via de genetische code het eiwit. Verwachte fout: genoom invullen.

Collageen geeft stevigheid aan huid en pezen. Wat voor eiwit is collageen?

A

Een enzym

B

Een receptor

C

Een structuureiwit

D

Een eiwithormoon

Een eiwit dat bouw en stevigheid geeft is een structuureiwit. Verwachte fout: enzym kiezen.

Welke taak heeft een transporteiwit?

A

Stoffen door het celmembraan vervoeren

B

Stoffen in de cel afbreken

C

Een signaal van buiten herkennen

D

Ziekteverwekkers onschadelijk maken

Een transporteiwit vervoert stoffen door het membraan. Afbreken is werk van een enzym, een signaal herkennen van een receptor, een ziekteverwekker binden van een antistof.

Zet op volgorde, van groot naar klein

1

Spierweefsel

2

Gen voor myosine

3

Spiercel

4

Spier

Een orgaan bestaat uit weefsel, weefsel uit cellen en een cel bevat genen. Verwachte fout: cel en weefsel omdraaien.

Wat is een eigenschap van een stamcel?

A

Hij heeft een ander genoom dan andere cellen

B

Hij maakt alle eiwitten van het lichaam

C

Hij is al gespecialiseerd tot een celtype

D

Hij kan zich delen en differentiëren

Een stamcel kan zich delen en differentiëren en is nog niet gespecialiseerd. Verwachte fout: denken dat een stamcel een ander genoom heeft.

Een cel maakt veel myosine en geen insuline. Welk celtype is dit het meest waarschijnlijk?

A

Een cel van de alvleesklier

B

Een spiercel

C

Een huidcel

D

Een stamcel

Myosine hoort bij spiercellen, insuline bij cellen van de alvleesklier. Verwachte fout: de alvleesklier kiezen.

Wat is genexpressie?

Het gebruiken van een gen om een eiwit te maken. Verwachte fout: genexpressie verwarren met het hebben van een gen.

Wat is het genoom van een organisme?

A

Het geheel van alle genen van het organisme

B

Alle eiwitten van het organisme

C

Alleen het DNA dat codeert voor eiwitten

D

De genen die in één cel aan staan

Het genoom is het geheel van alle genen. Verwachte fout: de genen die tot expressie komen kiezen.

Noem een eiwit en zijn functie.

Bijvoorbeeld insuline (eiwithormoon), hemoglobine (vervoert zuurstof), collageen (structuureiwit) of een antistof. Verwachte fout: alleen een naam noemen zonder functie.

Insuline wordt door de alvleesklier gemaakt en geeft cellen een signaal. Welke functie heeft insuline?

A

Enzym

B

Receptor

C

Eiwithormoon

D

Structuureiwit

Insuline is een hormoon dat uit eiwit bestaat: een eiwithormoon. Verwachte fout: receptor kiezen omdat het met een signaal te maken heeft.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

ZELFORGANISATIE · GENEXPRESSIE

Goed gedaan!

Je kunt nu uitleggen hoe een gen via RNA een eiwit oplevert en hoe genexpressie en celdifferentiatie zorgen voor verschillende celtypen.

Deze slide heeft geen instructies