Grammatica herhaling blok 5 (3TL)

Lesdoelen Grammatica blok 5
  • Je kunt een zin in zinsdelen verdelen
  • Je kunt in een zin het werkwoordelijk gezegde (wwg), Onderwerp (ond), 
       lijdend voorwerp (lv), meewerkend voorwerp (mv) en de bijwoordelijke   
       bepaling (bwb) en de bijvoeglijke bepaling (bvb) benoemen.
  • Je kunt de woordsoorten: ww, lw, znw, bnw, vz, het pers. vnw, bezit. vnw, wederkerend,  
       wederkerig vnw benoemen
  • Kun je hoofdzinnen en bijzinnen onderscheiden
  • Je herkent voegwoorden
  • Kun je nevenschikkende en onderschikkende zinnen van elkaar onderscheiden
  • Kun je de woordsoorten vragend, aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord benoemen.
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Lesdoelen Grammatica blok 5
  • Je kunt een zin in zinsdelen verdelen
  • Je kunt in een zin het werkwoordelijk gezegde (wwg), Onderwerp (ond), 
       lijdend voorwerp (lv), meewerkend voorwerp (mv) en de bijwoordelijke   
       bepaling (bwb) en de bijvoeglijke bepaling (bvb) benoemen.
  • Je kunt de woordsoorten: ww, lw, znw, bnw, vz, het pers. vnw, bezit. vnw, wederkerend,  
       wederkerig vnw benoemen
  • Kun je hoofdzinnen en bijzinnen onderscheiden
  • Je herkent voegwoorden
  • Kun je nevenschikkende en onderschikkende zinnen van elkaar onderscheiden
  • Kun je de woordsoorten vragend, aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord benoemen.

Slide 1 - Tekstslide

Die vrouw betaalde mijn zus een flink bedrag voor haar oude schoenen.

Benoem het zinsdeel: mijn zus

Slide 2 - Open vraag

Die vrouw betaalde mijn zus een flink bedrag voor haar oude schoenen.

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp (lv)?

Slide 3 - Open vraag

Die vrouw betaalde mijn zus een flink bedrag voor haar oude schoenen.

Wat is in deze zin de bijvoeglijke bepaling (bvb) en waarbij hoort die?

Slide 4 - Open vraag

Deze week vindt voor de vijfenzeventigste keer de avondvierdaagse plaats.

Benoem het zinsdeel: Deze week

Slide 5 - Open vraag

Deze week vindt voor de vijfenzeventigste keer de avondvierdaagse plaats.

Benoem het wwg (werkwoordelijk gezegde).

Slide 6 - Open vraag

Deze week vindt voor de vijfenzeventigste keer de avondvierdaagse plaats.

Benoem het zinsdeel "voor de vijfenzeventigste keer".

Slide 7 - Open vraag

Is de zin enkelvoudig of samengesteld?

Mijn moeder lust geen koffie als er geen melk in zit.
A
Samengesteld
B
Enkelvoudig

Slide 8 - Quizvraag

Is de zin enkelvoudig of samengesteld?

Na afloop van het concert wachtten wij de zangeres op bij de uitgang van de zaal.
A
Samengesteld
B
Enkelvoudig

Slide 9 - Quizvraag

Is de zin enkelvoudig of samengesteld?

Nadat we gegeten hadden, gingen we een potje voetballen.
A
Samengesteld
B
Enkelvoudig

Slide 10 - Quizvraag

Slide 11 - Tekstslide

Dat museum gaat een jaar dicht en het moet verbouwd worden

Wat is het voegwoord in deze zin? En is het nevenschikkend of onderschikkend?

Slide 12 - Open vraag

Dat museum gaat een jaar dicht, omdat het verbouwd moet worden.

Wat is het voegwoord in deze zin? En is het nevenschikkend of onderschikkend?

Slide 13 - Open vraag

Is jullie hond bang voor vuurwerk of heeft hij daar geen last van?

Wat is het voegwoord in deze zin? En is het nevenschikkend of onderschikkend?

Slide 14 - Open vraag

Noem de vier
nevenschikkende
voegwoorden

Slide 15 - Woordweb

Als je geen gehoorschade wilt oplopen, moet je bij een concert oordoppen in doen.

Het eerste deel van de zin is een?
A
Hoofdzin
B
Bijzin

Slide 16 - Quizvraag

Ik ga met mijn ouders een dagje weg, als ik een goed rapport heb

Het voegwoord als is:
A
Nevenschikkend
B
Onderschikkend

Slide 17 - Quizvraag

Voornaamwoorden

Slide 18 - Tekstslide

Welk vnw is in de onderstaande zin het woordje "wat"?

Wat heb jij voor je vriendin gekocht?
A
Vragend vnw
B
aanwijzend vnw
C
betrekkelijk vnw
D
bezittelijk vnw

Slide 19 - Quizvraag

Welk vnw is in de onderstaande zin het woordje "wie"?

Weten jullie wie de nieuwste president van dat land is?
A
Vragend vnw
B
aanwijzend vnw
C
betrekkelijk vnw
D
bezittelijk vnw

Slide 20 - Quizvraag

Welk vnw is in de onderstaande zin het woordje "die"?

De hond die in het hok ligt slaapt.
A
Vragend vnw
B
aanwijzend vnw
C
betrekkelijk vnw
D
bezittelijk vnw

Slide 21 - Quizvraag

Welk vnw is in de onderstaande zin het woordje "dat"?

Mijn ouders hebben een schilderij gekocht, Dat hangt nu bij ons aan de muur.
A
Vragend vnw
B
aanwijzend vnw
C
betrekkelijk vnw
D
bezittelijk vnw

Slide 22 - Quizvraag

Welk vnw is in de onderstaande zin het woordje "wie"?

De voetballer voor wie een afscheidsfeest was georganiseerd, is ziek.
A
Vragend vnw
B
aanwijzend vnw
C
betrekkelijk vnw
D
bezittelijk vnw

Slide 23 - Quizvraag

Huiswerk voor volgende les

Slide 24 - Tekstslide