eindtoets bewegen klas 2 vwo

Je mag je aantekeningen en rekenmachine bij deze toets gebruiken.

Je hebt voor deze toets 45 minuten de tijd, daarna wordt de toets afgesloten.

Bij de meeste vragen kun je de afbeelding vergroten.




Open vragen: 

- Rond je antwoord af op een heel getal tenzij anders staat aangegeven bij de opdracht, dan rond je af op het aantal decimalen dat staat aangegeven.

- Vul alleen het getal in zonder de eenheid.

- Gebruik in je antwoord een komma, geen punt.
Belangrijk
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Je mag je aantekeningen en rekenmachine bij deze toets gebruiken.

Je hebt voor deze toets 45 minuten de tijd, daarna wordt de toets afgesloten.

Bij de meeste vragen kun je de afbeelding vergroten.




Open vragen: 

- Rond je antwoord af op een heel getal tenzij anders staat aangegeven bij de opdracht, dan rond je af op het aantal decimalen dat staat aangegeven.

- Vul alleen het getal in zonder de eenheid.

- Gebruik in je antwoord een komma, geen punt.
Belangrijk

Slide 1 - Tekstslide

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Bekijk de grafieken hiernaast.
Bij een auto zonder ABS (antiblokkeersysteem) wordt aangeraden bij
een noodstop pompend te remmen. bij deze beweging trap je de 
rem hard in waarna je vervolgens de rem heel kort los laat om weer hard te 
remmen. Door de rem heel kort los te laten tussen het remmen door 
kunnen je wielen niet blokkeren en de auto onbestuurbaar worden.

Welk van de V,t-diagrammen hiernaast geeft het pompend remmen goed weer?
A
Grafiek A
B
Grafiek B
C
Grafiek C
D
Grafiek D

Slide 2 - Quizvraag

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Bekijk de grafieken hiernaast.
Sam bezorgd pizza's voor Domino's. Hij rijdt met constante snelheid op zijn 
scooter. op tijdstip t=1s knijpt hij de remmen in, omdat hij op zijn bestemming 
(bij de klant) is aangekomen en moet stoppen.

Welk van de S,t-diagrammen hiernaast geeft de scooterrit van sam goed weer?
A
Grafiek A
B
Grafiek B
C
Grafiek C
D
Grafiek D

Slide 3 - Quizvraag

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Bekijk de grafiek. 
Welke uitspraak/uitspraken is/zijn juist?

1.) Bij een snelheid van 90km/h is de remweg 50meter.
2.) Wanneer de snelheid verdubbel dan verdubbeld ook je remweg.
A
Alleen uitspraak 1 is juist
B
Alleen uitspraak 2 is juist
C
Beide uitspraken zijn juist
D
Geen van beide uitspraken zijn juist

Slide 4 - Quizvraag

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Bekijk de grafiek en tekst hiernaast.
de spaceshot versneld eerst vanuit stilstand. men wordt afgeschoten 
vanuit stilstand, waardoor de snelheid erg snel toeneemt. na de lancering 
is er geen aandrijvende kracht meer en zal de spacehot dus vertragen 
door de invloed van de zwaartekracht. eenmaal op het hoogste punt
 is de snelheid 0m/s. nadat de spaceshot langzaam aan tot stilstand 
was gekomen zal de spaceshot weer naar beneden vallen. 
--> na hoeveel seconden heeft de spaceshot zijn hoogste punt bereikt?
A
Na ca. 1,3s
B
Na ca. 1,6s
C
Na ca. 3,6s
D
Dit kunnen niet opmaken uit de grafiek

Slide 5 - Quizvraag

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Bekijk de grafiek en tekst hiernaast.
In de reclamefolder (bovenste stuk tekst) staat dat de spaceshot
een maximale snelheid haalt van 85km/h. De grafiek van de testrit
laat echter wat anders zien. wat is volgens de grafiek de maximale
 snelheid die de spaceshot heeft gehaald in km/h?
A
Ca. 20,9 km/h
B
Ca. 75,2 km/h
C
Ca. 83,6km/h
D
De maximale snelheid kun je niet uit de grafiek halen

Slide 6 - Quizvraag

Wat kan je zeggen van de snelheid bij
een eenparige beweging?
Wat kun je zeggen van de snelheid bij een eenparige beweging?
A
de snelheid neemt af
B
de snelheid blijft gelijk
C
de snelheid neemt toe

Slide 7 - Quizvraag

Albert fietst 500 meter in 1 minuut en 20 seconden.
Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?
Albert fietst 500 meter in 1 minuut en 20 seconden.  Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/h?
A
6,25
B
22,5
C
0,576
D
416,7

Slide 8 - Quizvraag

Wat kan je zeggen van de afstand bij
een eenparige beweging?
Wat kun je zeggen over de toename van de afstand bij een eenparige beweging?
A
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd wordt steeds groter
B
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd wordt steeds kleiner
C
de afstand die iedere seconde wordt afgelegd blijft gelijk

Slide 9 - Quizvraag

Wat kan je zeggen van de afstand bij
een eenparige beweging?
Wat kun je zeggen over de toename van de afstand bij een vertraagde beweging?
A
de afstand neemt toe met steeds kleinere waarden
B
de afstand neemt af met steeds kleinere waarden
C
de afstand blijft gelijk

Slide 10 - Quizvraag

Op zijn driewieler heeft Albert
een gemiddelde snelheid van 40 km/h.
In hoeveel seconden legt hij een afstand af van 300 meter?
Op zijn driewieler heeft Albert een gemiddelde snelheid van 40 km/h.  In hoeveel seconden legt hij een afstand af van 300 meter?
A
27
B
7,5
C
300
D
12

Slide 11 - Quizvraag

Albert doet met zijn vliegtuig over de afstand
Amsterdam - Bangkok (8500 km) 11 uur.
Bereken de gemiddelde snelheid in m/s.
Albert doet met zijn vliegtuig over de afstand Amsterdam - Bangkok (8500 km) 11 uur.  Bereken de gemiddelde snelheid in m/s.
A
772,7
B
93,5
C
214,6
D
59,6

Slide 12 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Albert doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur. Wat is de gemiddelde snelheid?

A
3,9
B
4,8
C
13,9
D
17,4

Slide 13 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Bij het serveren haalt de bal van toptennisser Albert een snelheid van 180 km/h. De tennisbal legt een afstand van 20 meter af voordat hij de grond raakt. Bereken de tijd totdat de bal de grond raakt

Bereken op 1 decimaal nauwkeurig hoeveel seconden de bal over die 20 meter doet.
A
0,1
B
0,4
C
2,5
D
9

Slide 14 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Albert heeft van zijn fietstochtje een grafiek van de snelheid gemaakt.Bereken de gemiddelde snelheid in km/h.


A
7,5
B
10
C
12,5
D
15

Slide 15 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Welke beweging maakt Albert in de afbeelding?
(hij rijdt achteruit)

A
Stilstand
B
Eenparige (constante) beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Eenparig versnelde beweging

Slide 16 - Quizvraag

Luke doet mee aan een triatlon. Hij legt de 3,8 km zwemmen af in drie uur, de 180 km fietsen in zes uur en de 42 km marathon in vier uur.

Bereken de gemiddelde snelheid in km/h voor de hele triatlon op 2 decimalen nauwkeurig.
Welke beweging maakt Albert in de afbeelding?

A
Stilstand
B
Eenparige (constante) beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Eenparig versnelde beweging

Slide 17 - Quizvraag

Sleep naar de juiste plaats -2
Afstand (S) = blauw
Snelheid (v) = rood

Slide 18 - Sleepvraag


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 19 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel A van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 20 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 21 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 22 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel C van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 23 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel A van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 24 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel B van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 25 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel C van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 26 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel D van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 27 - Quizvraag


Wat voor soort beweging is in deel E van de grafiek getekend ?
A
Eenparige (constante) beweging
B
Eenparig versnelde beweging
C
Eenparig vertraagde beweging
D
Stilstand

Slide 28 - Quizvraag

De stroboscooplamp flitste om de 0,03 seconden. Hoe lang duurt de hele beweging van Albert?
De stroboscooplamp flitste om de 0,03 seconden. Hoe lang duurt de hele beweging van Albert?
A
0,09s
B
0,12s
C
0,15s
D
geen van deze antwoorden is juist

Slide 29 - Quizvraag

Omrekenen van km/h naar m/s doe je door .....
A
x 3,6
B
: 3,6
C
x 1000
D
: 1000

Slide 30 - Quizvraag

De voetganger in de afbeelding hiernaast heet Matthijs. Matthijs steekt
binnen 2,4s het fietspad over. Het paaltje met de drukknop voor het
stoplicht heeft in het echt een hoogte van 1,3m. Het paaltje is op de tekening
2,6cm hoog. (Stap 1 bepaal met behulp van het paaltje de schaal. Stap 2
bereken de werkelijke afstand die Matthijs aflegt bij het oversteken
7,8cm. Stap 3 bereken de snelheid). Wat is de snelheid van Matthijs in m/s tijdens het oversteken?
Rond je antwoord af op 1 decimaal. Gebruik een komma (GEEN punt). Noteer alleen het antwoord.

Slide 31 - Open vraag

Welke factoren beïnvloeden de reactietijd van de mens. Noem er 5.

Slide 32 - Open vraag

Een auto rijdt met een snelheid van25 m/s.
Op tijdstip t=0s ziet de bestuurder een obstakel op de weg.
Hij rijdt reageert na 1s en remt binnen 5 s af.
Bij t=6s staat hij. Bereken de totale stopafstand.

Slide 33 - Open vraag

De remweg van een auto bij 36km/u is 8m. De stopafstand is 17m.
Bereken de reactietijd van de bestuurder.
Geef de volledige berekening.

Slide 34 - Open vraag