Herhaling domein 1 grootheden en eenheden

Herhaling domein 1 
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Herhaling domein 1 

Slide 1 - Tekstslide

P 1 rekenen en woordenschat
weet wat het betekent

Slide 2 - Tekstslide

geld dat je moet betalen als je iets koopt
wat je denkt, nadat je hebt nagedacht over een tekst of een probleem
het geld dat je overhoudt, nadat de verzekeringen en belastingen zijn betaald
geld dat je aan de bank moet terugbetalen voor de lening voor je huis
bedenken hoeveel iets ongeveer is
schatten
de conclusie
netto jaarinkomen
de aankoopprijs
de hypotheek

Slide 3 - Sleepvraag

Welke eenheid van lengte past het beste bij het ding op het plaatje?
km
hm
m
dm
cm
mm

Slide 4 - Sleepvraag

Welke eenheid hoort erbij? Een voorbeeld van de liniaal in het echt is in het rekenlokaal...
zwart blokje
rode lijn, tussen 1 en 2
de hele liniaal
meter
decimeter
centimeter
millimeter

Slide 5 - Sleepvraag

het kwart
het etmaal
anderhalf
het ons
het pond
100 gr
1/4   0,25
1,5   1 1/2
24 uur
500 gr

Slide 6 - Sleepvraag

Welk woord hoort bij welk plaatje? 
de rolmaat
de boordmaat
de stopwatch
de meetlat
de verhoudingstabel

Slide 7 - Sleepvraag

Wat betekent 'nauwkeurig'?
A
ongeveer
B
schatten
C
precies
D
circa

Slide 8 - Quizvraag

Wat hoort bij elkaar?  Sleep het antwoord.
de grootheid
het gewicht
de lengte
de inhoud
Hoe lang is iets?
Hoeveel kan er in?
Hoe zwaar is iets?

Slide 9 - Sleepvraag

Welke eenheden horen bij de grootheden? Sleep het antwoord.
de grootheid
het gewicht
de lengte
de inhoud
liter
kilogram
meter

Slide 10 - Sleepvraag

Welke grootheden horen bij de symbolen? Sleep het antwoord.
de symbolen
de afkortingen
kg, g, mg
km, hm, m, dm, cm, mm
hl, L, dl, cl, ml
inhoud
gewicht
lengte

Slide 11 - Sleepvraag

de belangrijkste grootheden en hun symbolen
de grootheid
het symbool
het gewicht
kg              g              mg
zwaar
de lengte
km             m dm cm mm
lang
de inhoud
      hl         L   dl   cl   ml
vol
bijvoeglijk naamwoord

Slide 12 - Tekstslide

omrekenen van maten
kilo = 1000 keer

kilogram  = 1000 x 1 gram =  1000 gram
kilometer = 1000 x 1 meter = 1000 meter

Noteer dit op je woordenlijst.

Slide 13 - Tekstslide

6 kg = ..... gram Kijk op je rekenkaart.
timer
0:30
A
6
B
60
C
6.000
D
60.000

Slide 14 - Quizvraag

7,5 km = ...... meter
timer
0:30
A
7 500
B
750
C
0,75
D
75 000

Slide 15 - Quizvraag

0,5 kg = ..... gram
timer
0:30
A
5
B
50
C
5.000
D
500

Slide 16 - Quizvraag

0,35 km = .... meter
timer
0:30
A
0,35
B
350
C
35
D
35.000

Slide 17 - Quizvraag

het omrekenen van maten
1 kilogram = 1000 x 1 gram = 1000 gram

1000 gram= 1000 gram : 1000 = .... 1    kg
  100 gram=   100 gram : 1000 = .... 0,1   kg
    10 gram=     10 gram : 1000 = .... 0,01   kg
      1 gram=       1 gram : 1000 = .... 0,001   kg


Slide 18 - Tekstslide

450 g = ... kg
timer
0:30
A
450 kg
B
45 kg
C
0,45 kg
D
4,5 kg

Slide 19 - Quizvraag

timer
1:00
km
hm
dam
m
dm
cm
mm
Zet de eenheden van lengte van groot (links) naar klein (rechts)

Slide 20 - Sleepvraag

23 meter = ...km
timer
0:30
A
23 km
B
230 km
C
2,3 km
D
0,023 km

Slide 21 - Quizvraag

8,9 m = ... km
timer
0:30
A
89 km
B
890 km
C
0,0089 km
D
8,9 km

Slide 22 - Quizvraag

een bijzondere gewichtsmaat     
de ton (de tonnage)

1 ton = 1000 kg


de referentie-maat
Een personenauto weegt tussen de 1000 en 2500 kg.
de referentie-maat
een voorwerp om mee te vergelijken

Slide 23 - Tekstslide

8 000 gram = .... kg
timer
0:30
A
80 kg
B
8 kg
C
800 kg
D
0,8 kg

Slide 24 - Quizvraag

TIJD:     tijd in het dagelijks leven
24/7 vierentwintig-zeven

fulltime werken
fulltime opleiding

de werkweek - ..... dagen

de kantoor-uren

Slide 25 - Tekstslide

tijd in het dagelijks leven
24/7 vierentwintig-zeven      24 uur elke 7 dagen v.d. week

fulltime werken                    36-40 uur per week
fulltime opleiding                 40 uur per week (les & huiswerk)

de werkweek                       5 dagen (ma-vr)

de kantooruren                    09.00-17.00 uur

Slide 26 - Tekstslide

Hoeveel klok-uur per week heb jij ongeveer les?

timer
0:30
A
10
B
20
C
30
D
40

Slide 27 - Quizvraag

Je volgt nu een fulltime opleiding. Je hebt
ongeveer 30 uur les. Hoeveel tijd moet je voor je huiswerk reserveren?

timer
1:00
A
1
B
2
C
5
D
10

Slide 28 - Quizvraag

per     van groot naar klein
          delen
juli 2022; bron: Nibud
Veel mensen met een kleine auto hebben per jaar 
€ 4080,00 kosten. Wat kost de auto gemiddeld per maand?

                                        Noteer welke gegevens je nodig                                                hebt hebt en geef je berekening en                                          antwoord op de volgende dia
het Nibud - de organisatie die informatie geeft over geld-gebruik

Slide 29 - Tekstslide

Een kleine auto kost €4080,- per jaar. Wat zijn de kosten per maand?

Slide 30 - Open vraag

per     van groot naar klein
          delen
juli 2022; bron: Nibud
Veel mensen met een kleine auto hebben per jaar 
€ 4080,00 kosten. Wat kost de auto gemiddeld per maand?

                                        1 jaar = 12 maanden
                                        € 4080,00 : 12 = € 340,00/maand
het Nibud - de organisatie die informatie geeft over geld-gebruik

Slide 31 - Tekstslide

Chantal koopt dagelijks een beker koffie voor
€2,25. Hoeveel geeft ze per jaar uit aan bekers koffie? Noteer ook je berekening.
timer
2:00

Slide 32 - Open vraag

Wat is het verschil in kosten tussen elke dag een beker koffie thuis en onderweg?
Gemiddeld kost een beker koffie die je zelf thuis maakt € 0,30.
                                                                      (prijs okt.2022)
*Als je 1 maal daags een beker koffie thuis drinkt,
dan kost dat 365 x € 0,30 = € 109,50  .
*De beker koffie buiten de deur  365 x € 2,25 = € 821,25   .

het verschil = grootste minus kleinste
821,25 - 109,50 = € 711,75    
(let op: zonder € is je antwoord fout)             



Slide 33 - Tekstslide

In dit kantoor worden per werkdag 27 zakjes thee
gebruikt. Hoeveel zakjes zijn dat in een
werkweek? Noteer ook je berekening. (RM)
timer
2:00

Slide 34 - Open vraag

In dit kantoor worden per werkdag 27 zakjes thee
                       gebruikt. Hoeveel zakjes zijn dat in een
                werkweek? Noteer ook je berekening.

werkweek = 5 dagen. 
5 x 27 = 135
135 theezakjes

Slide 35 - Tekstslide

Nu Rekenen
Maak van domein 1 de gemengde opdrachten
Extra: oefen de onderdelen die je moeilijk vindt.

Slide 36 - Tekstslide