Hoofdstuk 3 Textiel verzorgen 3.1-3.6

Mens en omgeving
Hoofdstuk 3 Textiel verzorgen
 Hoofdstuk 3.1-3.6
Startopdracht:
Ga zitten, pak je boek en maak hoofdstuk 2 af als dit nog niet af was. Klaar? Maak de begrippenlijst hoofdstuk 3
Planning: 
  • Lange uitleg met quizvragen
  • Opdrachten maken
  • Voor de snelle leerlingen: strijken 
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Mens en omgeving
Hoofdstuk 3 Textiel verzorgen
 Hoofdstuk 3.1-3.6
Startopdracht:
Ga zitten, pak je boek en maak hoofdstuk 2 af als dit nog niet af was. Klaar? Maak de begrippenlijst hoofdstuk 3
Planning: 
  • Lange uitleg met quizvragen
  • Opdrachten maken
  • Voor de snelle leerlingen: strijken 

Slide 1 - Tekstslide

Na dit hoofdstuk weet je meer over:
  • De functie van textiel;
  • Waar textiel van gemaakt is;
  • Sorteren van wasgoed;
  • Behandeling van wasgoed;
  • Opruimen van wasgoed;
  • Ergonomisch werken;
  • Milieubewust werken.

Slide 2 - Tekstslide

Wat is textiel?
Textiel betekent ‘geweven stof’. 

  • Het wordt gebruikt voor kleding maar ook in de aankleding van een huis, zoals gordijnen of bekleding van een bank. 
  • Ook in het huishouden komt textiel voor, zoals een handdoek, vaatdoek of zeem

Slide 3 - Tekstslide

Functies van textiel
  • Beschermen tegen kou, warmte en vocht. 
  • Met kleding kun je je uiterlijk aantrekkelijker maken. Je kunt mooie vormen beter uit laten komen. Met kleding kun je je ook onderscheiden van anderen (politie, cultuur).
  • Met huishoudtextiel kun je schoonmaken en je hebt natuurlijk ook textiel om in te slapen, zodat je lichaam warm blijft. 

Slide 4 - Tekstslide

3.4. Materialen
De basismaterialen waar textiel van gemaakt wordt noemen we grondstoffen.

Natuurlijke grondstoffen: grondstoffen die in de natuur worden aangetroffen. Natuurlijke grondstoffen worden in twee groepen verdeeld: Plantaardig & Dierlijk.

Kunstmatige grondstoffen: grondstoffen die in de fabriek vervaardigd worden. Een ander woord voor kunstmatig is synthetisch. Kunstmatige grondstoffen worden in twee groepen verdeeld: Half synthetisch (hebben natuurlijke grondstoffen als basis) & Synthetisch

Slide 5 - Tekstslide

Is dit natuurlijke of kunstmatige grondstof?

Slide 6 - Tekstslide

Natuurlijke grondstoffen:
      Wol                        Katoen                           Zijde                     Linnen
                                                                                                                 


                                                                            

Slide 7 - Tekstslide

Kunstmatige grondstoffen
Viscose: Grondstof is van hout en katoen maar het wordt daarna chemisch behandeld dus: Half synthetisch

Polyamide: Op basis van aardolie. Wordt ook nylon genoemd. bvb panty's, badpak.

Polyester. Ook synthetisch. Het is sterk en vormvast. 

Slide 8 - Tekstslide

3.5 etiketten
In ieder kledingstuk zitten etiketten, dat is verplicht, er zijn twee soorten:

Een samenstellingsetiket: op dit etiket kun je lezen uit welke vezels of grondstoffen het textielproduct gemaakt is. 

Een was/behandelingsetiket: geeft aan hoe een textielproduct tijdens het wassen, strijken, drogen en reinigen moet worden behandeld. Het behandelingsetiket is opgebouwd uit symbolen. 

 

Slide 9 - Tekstslide

Dit is een etiket

Slide 10 - Tekstslide

0

Slide 11 - Video

timer
0:45
Waarom was je?

Slide 12 - Woordweb

DIT SYMBOOL GEEFT AAN DAT JE HET PRODUCT ALLEEN MET DE HAND MAG WASSEN:
A
Juist
B
Onjuist
C
Geen van allen
D
Je mag het product wassen in de wasmachine én met de hand

Slide 13 - Quizvraag

Wat betekent dit wassymbool:
A
Niet drogen in de wasdroger
B
Drogen in de wasdroger
C
Niet wassen in de wasmachine
D
Wassen in de wasmachine

Slide 14 - Quizvraag

Wat betekent dit wassymbool:
A
wassen op 30 graden
B
wassen op 40 graden
C
handwassen
D
niet wassen

Slide 15 - Quizvraag

Wat betekenen deze wassymbolen?
A
1 = in de wasmachine wassen op antikreuk-programma 2 = heet strijken 3 = niet bleken 4 = stomen mag 5 = mag in de droger
B
1 = in de wasmachine wassen op antikreuk-programma 2 = warm strijken 3 = bleken mag 4 = niet stomen 5 = mag in de droger
C
1 = in de wasmachine wassen op gewoon programma 2 = lauw strijken 3 = bleken mag 4 = niet stomen 5 = mag niet in de droger
D
1 = in de wasmachine wassen op gewoon programma 2 = warm strijken 3 = niet bleken 4 = stomen mag 5 = mag niet in de droger

Slide 16 - Quizvraag

Wat betekenen de wassymbolen?               
Bleken
Professioneel reinigen
Strijken
Drogen
Wassen

Slide 17 - Sleepvraag

Wat betekent dit wassymbool:
A
niet wassen
B
niet strijken
C
niet drogen
D
niet bleken

Slide 18 - Quizvraag

Slide 19 - Video

Waarop moet je vooral letten als je de was gaat sorteren?
A
op de grootte van de kledingstukken
B
op de hoeveelheid kledingstukken
C
op de materialen waarvan de kleding gemaakt is
D
op welke temperatuur je de kleding mag strijken

Slide 20 - Quizvraag

Wat staat er op het samenstellingsetiket?
A
hoe je de was moet wassen
B
Waar het textiel van is gemaakt
C
de wasvoorschriften
D
wassymbolen

Slide 21 - Quizvraag

3.6 het wasproces
Je weet inmiddels dat je witte en bonte was uit elkaar moet houden. Ook belangrijk:
  • Bewaar was op een droge plaats om schimmel te voorkomen.
  • Bewaar was zo kort mogelijk. Hoe langer vuil op textiel zit, hoe meer het in de vezels kan trekken en hoe moeilijker het te verwijderen is.
  • Bewaar was op een koele plaats. Het wasgoed gaat minder snel onfris ruiken en bacteriën zullen zich minder snel vermenigvuldigen.

Slide 22 - Tekstslide

Was sorteren
Na het sorteren van de was moet je nog denken aan:

  • Maak alle zakken leeg. (Controleer dus altijd!)
  • Rol opgestroopte mouwen af.
  • Vlekken verwijderen of voorbehandelen.
  • Keer kleding binnenstebuiten, vooral broeken, truien en shirts met opdruk.
  • Doe ritsen en drukknopen dicht en knoop touwtjes samen.
  • Kleding met haakjes, klittenband of een beugel bh kunnen beter in een speciaal waszakje.
  • Was na het was sorteren je handen. 

Slide 23 - Tekstslide

Verschillende wasmiddellen:
                               <-Lichte bonte was: bontwasmiddel.
                               
                             Donker bonte was: wasmiddel voor donkere was.->

                             <-Witte was: wasmiddelen voor witte was.

                                   Wolwas en fijne was: speciaal wasmiddel 
                                                                             voor kwetsbare was. ->


Slide 24 - Tekstslide

Wassen en het milieu
 Wees zuinig met water. Wacht tot je een volledige wasmachine kunt laten draaien. Het is zonde om voor een kleine was de wasmachine te laten draaien. 

• Wees zuinig met energieverbruik. Bij het opwekken van elektriciteit treedt milieuvervuiling op. Gebruik apparaten zo efficiënt mogelijk. 
• Kies bij voorkeur een wasprogramma met een lage temperatuur. Wassen op 60 graden kost meer energie dan wassen op 40 graden. 
• Je kunt de was ophangen in plaats van de droger gebruiken. 
• Doseer wasmiddelen goed. Bij het gebruik van een wasbol heb je de juiste dosering bij de hand. 

Slide 25 - Tekstslide

Start praktijk  (blz. 37 t/m 47:)
  • was sorteren (praktijkopdracht docent)
  • 3.3 wasmachine (instructie docent)
  • 3.6 strijken

  • Opdracht 3.15 (blz. 156)

Theorie:
Alle opdrachten maken van hoofdstuk 2
Opdracht 3.01 t/m 3.23 (blz. 143 t/m 163)

Slide 26 - Tekstslide