evolutie 1

H7 Evolutie 
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

H7 Evolutie 

Slide 1 - Tekstslide

Evolutie - tree of life

Slide 2 - Tekstslide

Evolutietheorieën
Creationisme: alle levende 
wezens zijn door God 
geschapen

Slide 3 - Tekstslide

Evolutietheorieën
Catastrofe theorie (Cuvier, 1768-1832)
Paleontoloog (fossielen onderzoek).
Verklaarde de aanwezigheid van
verschillende soorten in verschillende
aardlagen door catastrofes, steeds opnieuw
ontstaan van leven.

Slide 4 - Tekstslide

Evolutietheorieën
Lamarckisme (Lamarck,1744-1829)
Verworven eigenschappen tijdens het leven
worden doorgegeven aan de volgende
generatie.

Slide 5 - Tekstslide

Evolutietheorieën
Darwinisme (Darwin, 1809-1882)
Survival of the fittest en Struggle for life in
boek “On the origin of species“.

Evolutie is een proces waarbij erfelijke
eigenschappen binnen een populatie
veranderen in de loop van de generaties als
gevolg van genetische variatie, voortplanting
en natuurlijke selectie.



Slide 6 - Tekstslide

Evolutietheorieën
Evolutiotheorie (Wallace , 1823-1913)
Vergelijkbaar met die van Darwin maar hij 
dacht dat er bij de evolutie van de mens wel
ingrijpen van een hoger wezen was geweest.

Slide 7 - Tekstslide

Evolutietheorieën
Neodarwinisme 
De theorieën van Mendel (1822-1884) en de ontdekking van
DNA door Watson en Crick (1950) brachten de verklaring voor
de theorieën van Darwin.





Slide 8 - Tekstslide

Evolutie van de mens
Aan de hand van fossiele vondsten is het ontstaan van de huidige mens te reconstrueren.
Schedelvorm, tanden, vondsten van gereedschappen.
Consensus: moderne mens ontstond 200.000 jaar geleden in Afrika.

BINAS 94B

Slide 9 - Tekstslide

Evolutie van de mens
Aan de hand van DNA zijn migratiepatronen afgeleid.
Hierbij keek men naar overeenkomsten in haplotype (welke allelen liggen op hetzelfde chromosoom).
Y-chromosoom voor de mannelijke lijn, mitochrondriaal DNA voor de vrouwelijke lijn.

Slide 10 - Tekstslide

Evolutionaire tijdslijn





Migratie-patronen
Erfelijke tijdlijn

Slide 11 - Tekstslide

Ontstaan lange nek bij giraffes
Lamarck. De giraffe krijgt tijdens zijn leven een langere nek door het strekken van de nek naar hogere blaadjes. 

Darwin. De giraffen met de korte nek gaan dood, zodat er steeds meer giraffen komen met lange nekken (natuurlijke selectie)

  • Welk idee is juist? 
  • Vooral Darwin! Maar Lamarck ook bleek
      later door ontdekking epigenetica
Lamarck
een andere verklaring (theorie) dan Darwin

Slide 12 - Tekstslide

Wat is de goede volgorde
van evolutie?
A
Survival of the fittest, natuurlijke selectie, genetische variatie, overerving goede eigenschappen
B
Genetische variatie, natuurlijke selectie, survival of the fittest, overerving goede eigenschappen
C
Natuurlijke selectie, genetische variatie, survival of the fittest, overerving goede eigenschappen
D
Genetische variatie, survival of the fittest, natuurlijke selectie, overerving goede eigenschappen

Slide 13 - Quizvraag

Evolutie treedt volgens Darwin
op doordat ….
A
.. in een populatie individuen zich voortdurend aanpassen aan veranderende milieuomstandigheden en vooral nieuwe kenmerken doorgeven aan hun nakomelingen.
B
.. verandering in het milieu de individuen in een populatie aanzet tot mutaties om te overleven; die mutaties worden dan doorgegeven aan hun nakomelingen.
C
.. in een populatie alléén sterke individuen overleven en deze dus ook gemiddeld sterke individuen zullen voortbrengen.
D
.. in een populatie vooral de aan het milieu aangepaste individuen zich zullen voortplanten.

Slide 14 - Quizvraag

ontstaan van nieuwe soorten

Slide 15 - Tekstslide

Neo-Darwinisme

Evolutietheorie wordt onderbouwd door 3 belangrijke feiten/bewijzen:

  1. Variatie in erfelijke eigenschappen
  2. Soortvorming door isolatie
  3. Natuurlijke selectie

Slide 16 - Tekstslide

Variatie in het genotype
1. Geslachtelijke voortplanting

nieuwe paren/recombinaties van bestaande genen/eigenschappen

2. Mutaties

Slide 17 - Tekstslide

Soortvorming
1. Allopatrische soortvorming
   = soortvorming door isolatie

2. Sympatrische soortvorming
   = soortvorming zonder isolatie 

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

allopatrische soortvorming en sympatrische soortvorming
  • allopatrisch:  evolutie van soorten door een splitsing van een populatie door een barrière (gebergte, rivier etc)
  • sympatrisch: evolutie van soorten doordat individuen binnen hetzelfde gebied zich uitsluitend voortplanten binnen een kleine deelgroep. Voorbeeld: vrouwtjesvissen kiezen selectief een man met een bepaalde kleur=seksuele selectie

Slide 20 - Tekstslide

Natuurlijke selectie
  • gunstige genen
  • grotere overlevingskans
  • voortplantende nakomelingen
Individuen die het beste aangepast zijn aan het milieu hebben 
de grootste overlevingskans

SURVIVAL OF THE FITTEST

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Slide 23 - Video

Bij welke van onderstaande samenlevingsvormen is de kans het grootst dat er co-evolutie plaatsvindt?
(tip: er moet wél selectiedruk zijn!)
A
als beide soorten voordeel hebben van elkaars aanwezigheid
B
als de één voordeel heeft en de andere geen nadeel heeft
C
als de ene soort parasiteert op de andere
D
als de ene soort de predator is en de andere de prooi

Slide 24 - Quizvraag

Wetenschappers onderscheiden allopatrische en sympatrische soortvorming. Bij welke vorm hoort de omschrijving?

Een vissoort in 1 meer splitst zich op in een groep die zich in het open water voortplant en een groep die zich op de bodem voortplant
A
allopatrisch
B
sympatrisch

Slide 25 - Quizvraag

Hagedissen van 1 soort raken gescheiden door een kloof waardoor de hagedissen aan de ene kant van de kloof niet meer kunnen voortplanten met de hagedissen aan de andere kant van de kloof
A
allopatrisch
B
sympatrisch

Slide 26 - Quizvraag

Kunstmatige selectie =
het mechanisme waarmee bepaalde eigenschappen of een combinatie van eigenschappen bewust worden geselecteerd bij het fokken van dieren of veredeling en teelt van planten.


Slide 27 - Tekstslide

Hieronder volgen twee voorbeelden van organismen die zich aanpassen aan hun veranderende omgeving.
I Door grootschalige visserij zijn kabeljauw en schol op jongere leeftijd en bij een kleiner formaat geslachtsrijp.
II In ziekenhuizen waar mensen veel antibiotica gebruiken, ontstaan bacteriën die resistent zijn voor de meest gebruikte antibiotica.

Bij welk voorbeeld is sprake van kunstmatige selectie?
A
bij 1 en 2
B
bij 1
C
bij 2
D
niet bij 1 en niet bij 2

Slide 28 - Quizvraag