Benoem fases 1-5 + beschrijf de rol van de Na+ en K+ poorten en de Na/K-pomp per fase
1
2
3
4
5
Slide 2 - Tekstslide
Slide 3 - Tekstslide
Slide 4 - Tekstslide
Slide 5 - Tekstslide
Slide 6 - Tekstslide
Lesdoel
Tweede deel 14.3
Hoe verplaatst een impuls zich over een zenuwcel?
Slide 7 - Tekstslide
Slide 8 - Tekstslide
Slide 9 - Tekstslide
Absoluut refractaire periode: Na poorten inactief, kunnen NIET geactiveerd worden (tijdens de- en repolarisatie)
Relatief refractaire periode: Bij extra sterke prikkel kan de hyperpolarisatie gecompenseerd worden en volgt er toch een actiepotentiaal (tijdens hyperpolarisatie)
Slide 10 - Tekstslide
Lange afstanden
Lange uitlopers hebben een myelineschede.
Deze myelineschede versnelt de impulsgeleiding.
Slide 11 - Tekstslide
Slide 12 - Tekstslide
Prikkelsterkte
De actiepotentiaal is altijd
even sterk.
Sterkere prikkel:
hogere frequentie
van actiepotentialen.
Slide 13 - Tekstslide
Leerdoelen
7. Je legt het alles-of-niets principe uit.
8. Je beschrijft hoe een impuls langs het celmembraan beweegt.