Quiz keuzedeel internationaal (LH19)

Internationale quiz

1 / 25
volgende
Slide 1: Slide
newEditorPedagogisch werkMBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Internationale quiz

Wereld & landen

In welk land wonen de meeste moslims?

A

Saudi-Arabië

B

Turkije

C

Indonesië

D

Marokko

Welk continent heeft de meeste landen?

A

Europa

B

Azië

C

Afrika

D

Zuid-Amerika

Welke taal wordt in de meeste landen gesproken?

A

Engels

B

Spaans

C

Frans

D

Arabisch

Welk land ligt deels in Europa én deels in Azië?

A

Griekenland

B

Rusland

C

Turkije

D

Egypte

Hoeveel continenten zijn er?

A

5

B

6

C

7

D

8

Tradities & gewoontes

Wat vieren mensen tijdens Divali?

A

Het nieuwe jaar

B

De oogst

C

Het licht en de overwinning van goed over kwaad

D

Het einde van de ramadan

In welk land is het normaal om je schoenen uit te doen bij binnenkomst?

A

Nederland

B

Japan

C

Italië

D

Spanje

Wat betekent het als iemand tijdens gesprekken weinig oogcontact maakt?

A

Diegene liegt

B

Diegene is ongeïnteresseerd

C

Dat kan cultureel respectvol zijn

D

Diegene is boos

In welk land is het gebruikelijk om later te komen op afspraken dan in Nederland?

A

Duitsland

B

Spanje

C

Zweden

D

Japan

Wat is GEEN traditie maar een stereotype?

A

Suikerfeest vieren

B

Sinterklaas vieren

C

Iedereen uit één land is hetzelfde

D

Samen eten met familie

Geloof & levensbeschouwing

Welke religie heeft GEEN vaste god?

A

Christendom

B

Islam

C

Hindoeïsme

D

Boeddhisme

Wat betekent ‘halal’?

A

Toegestaan volgens islamitische regels

B

Gezond

C

Feestelijk

D

Vegetarisch

Welke dag is voor veel joden de rustdag?

A

Zondag

B

Vrijdag

C

Zaterdag

D

Maandag

Welke uitspraak klopt?

A

Iedereen met een geloof is streng

B

Geloof bepaalt altijd iemands gedrag

C

Niet iedereen beleeft zijn geloof hetzelfde

D

Geloof en werk kunnen nooit samen

Wat is levensbeschouwing?

A

Alleen religie

B

Hoe iemand naar het leven kijkt

C

Alleen cultuur

D

Alleen normen en regels

Begrippen & diversiteit

Wat betekent diversiteit?

A

Verschillen tussen mensen

B

Iedereen gelijk

C

Alleen culturele verschillen

D

Verschillende meningen

Wat is inclusie?

A

Iedereen hetzelfde behandelen

B

Rekening houden met verschillen zodat iedereen mee kan doen

C

Regels voor iedereen

D

Mensen beschermen

Wat hoort bij iemands identiteit?

A

Cultuur

B

Geloof

C

Opleiding

D

Hobby’s

Wat is een vooroordeel?

A

Een mening na ervaring

B

Een mening over iemand zonder die persoon te kennen

C

Een feit

D

Een grap

Stelling: “Je kunt professioneel zijn zonder het eens te zijn met iemands keuzes.”

A

Eens

B

Oneens