Persoonlijk voornaamwoord en avoir

Persoonlijk voornaamwoord en avoir
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo g, t, mavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Persoonlijk voornaamwoord en avoir

Slide 1 - Tekstslide

Les buts du cours
1. Ik ken de persoonlijke voornaamwoorden in het Frans
2. Ik weet wanneer Je verandert in J'
3. Ik ken het verschil tussen ils en elles
4. Ik weet wat avoir betekent
5. Ik ken het rijtje van avoir

Slide 2 - Tekstslide

Question à vous
Voordat we verder gaan..


Welke persoonlijke voornaamwoorden hebben we in het Nederlands?

Slide 3 - Tekstslide

Persoonlijke voornaamworden / pronoms personels
Je   - Ik
Tu   - jij
il      - hij
Elle - zij
On   - wij
Nous - wij
Vous  - jullie / u
Ils/elles - Zij
Lesdoel:

Ik weet welke persoonlijke voornaamwoorden er in het Frans zijn

Slide 4 - Tekstslide

plus d'information
Je verander in j' als het volgende woord begint met een klinker (a, e, o, u , i) of een h

Exemple:

Je mange une pizza
J' aime ma famille
J' habite à Heerenveen
Lesdoel:

Ik weet wanneer je in j' verandert

Slide 5 - Tekstslide

Encore plus d'information
Wat is het verschil tussen ils en elles?

Beide woorden betekenen ''zij'' in het meervoud.

Ils gebruik je bij mannelijke woorden
Elles gebruik je bij vrouwelijke woorden

Als je te maken hebt met mannelijke én vrouwelijke woorden, dan gebruik je ils


Lesdoel:

o Ik weet wat het verschil is tussen ils en elles

Slide 6 - Tekstslide

Avoir = Hebben
J'ai                                       -                   Ik heb
Tu as                                   -                  Jij hebt
Il a                                        -                  Hij heeft
Elle a                                  -                   Zij heeft
on a                                    -                   Wij hebben
nous avons                     -                   Wij hebben
vous avez                        -                   Jullie hebben / U heeft
Ils/elles ont                    -                    Zij hebben
Lesdoelen

o Ik weet wat het werkwoord avoir betekent

o Ik ken het rijtje van avoir

Slide 7 - Tekstslide

Belangrijk!
Naam of ding -> a (zelfde uitgang als il/elle)
Olivier a deux chiens
La maison a une porte

Namen of dingen -> ont (zelfde uitgang als ils/elles)
Olivier et Lisa ont un cadeau pour leur mère
Les enfants ont beaucoup de devoirs

Slide 8 - Tekstslide

Geeft de betekenis van het volgende woord: Hij
A
nous
B
elle
C
il
D
tu

Slide 9 - Quizvraag

Geeft de betekenis van het volgende woord: Ik
A
Je
B
vous
C
on
D
elle

Slide 10 - Quizvraag

Geeft de betekenis van het volgende woord: Wij
A
On
B
Vous
C
Ils
D
Nous

Slide 11 - Quizvraag

Wanneer verandert Je in J' ?

Slide 12 - Open vraag

Wat is het verschil tussen ils en elles?

Slide 13 - Open vraag

Vul de juiste vorm van avoir in:

J' ................... un chien
A
ont
B
as
C
ai
D
a

Slide 14 - Quizvraag

Vul de juiste vorm van avoir in:

Elles ................. une voiture rouge
A
ont
B
avez
C
avons
D
a

Slide 15 - Quizvraag

Geef de vertaling:

Ik heb
A
Elles ont
B
Tu as
C
J'ai
D
On a

Slide 16 - Quizvraag

Geef de vertaling:

Jullie hebben / U heeft
A
Vous avez
B
Nous avons
C
Tu as
D
J'ai

Slide 17 - Quizvraag

Geef de vertaling:

Jij hebt
A
J'ai
B
Tu as
C
Elle a
D
On a

Slide 18 - Quizvraag

au travail!
W: Aan de slag met het oefenblad (huiswerk volgende les)
H: Alleen of op fluistertoon samen
H: Vragen? Stel die aan je buur. Kom je er samen niet uit? Vinger!
T: 15 minuten max.
U: Een netjes ingevuld blad (bewaren!)
K: Voca E en F leren via SlimStampen of leesdossier
timer
15:00

Slide 19 - Tekstslide

Les buts du cours 
1. Ik ken de persoonlijke voornaamwoorden in het Frans
2. Ik weet wanneer Je verandert in J'
3. Ik ken het verschil tussen ils en elles
4. Ik weet wat avoir betekent
5. Ik ken het rijtje van avoir

Slide 20 - Tekstslide

Les buts du cours
1. Ik ken de persoonlijke voornaamwoorden in het Frans
2. Ik weet wanneer Je verandert in J'
3. Ik ken het verschil tussen ils en elles
4. Ik weet wat avoir betekent
5. Ik ken het rijtje van avoir

Slide 21 - Tekstslide

Elle
Ils / elles
On
Nous
Vous
Je
Tu
Il 
Hij
Jij
Zij
Wij
Wij
Jullie/ U
Ik
Zij (mv)

Slide 22 - Sleepvraag

Wanneer verandert Je in J' ?

Slide 23 - Open vraag

Wat is het verschil tussen ils en elles?

Slide 24 - Open vraag

Wat betekent het werkwoord ''avoir'' ?
A
Zijn
B
Hebben
C
Gaan
D
Doen/maken

Slide 25 - Quizvraag

Elle
Ils / elles
On
Nous
Vous
Je
Tu
Il 
ai
a
a
as
a
avons
avez
ont

Slide 26 - Sleepvraag