inversie en voegwoorden

De voltooide tijd en inversie
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

De voltooide tijd en inversie

Slide 1 - Tekstslide

Programma 16-2-2026:
Spreekoefening in de voltooide tijd.
Schrijfoefening in de voltooide tijd.

Herhaling inversie.
Voegwoorden.
Werken uit het boek.

Slide 2 - Tekstslide

Spreekoefening in de voltooide tijd
We vertellen wat we vandaag al hebben gedaan en wat nog niet.      
Gebruik: al  + nog niet /nog geen                       


Voorbeeld: Ik heb al ontbeten, maar ik heb nog geen huiswerk gemaakt.



Slide 3 - Tekstslide

Herhaling inversie

Slide 4 - Tekstslide

Hoofdzin met inversie

Slide 5 - Tekstslide

een grote tafel
In de woonkamer
staat

Slide 6 - Sleepvraag

niet
we
Vanavond
thuis
zijn

Slide 7 - Sleepvraag

televisie
Na het eten
altijd
kijken
wij 

Slide 8 - Sleepvraag

Op zaterdag
niet 
werk
ik 

Slide 9 - Sleepvraag

Gisteren heb je een feestje gehad.

Begin een zin met: Eerst.........

Slide 10 - Open vraag

Schrijf nu je tweede zin.
Begin met: Daarna.....

Slide 11 - Open vraag

Ga verder met zin drie: Vervolgens .....

Slide 12 - Open vraag

Ga verder met zin drie: Toen.....

Slide 13 - Open vraag

Schrijf nu de laatste zin. Begin met: Ten slotte........

Slide 14 - Open vraag

Spreekopdracht

Slide 15 - Tekstslide

Wat is er gebeurd? Verzin een verhaal in de voltooide tijd.   
                                                                    Voorbeeld:
Gisteren heb ik bezoek gehad.
Eerst.....
Dan.....
Daarna.......
Vervolgens ......
Ten slotte ..........




Slide 16 - Tekstslide

        Gebruik de voltooide tijd
                    Schrijf een e-mail aan je docent. Schrijf aan je docent:
                            Wat je hebt gedaan voor de Nederlandse les.
                                                                Voorbeeld

Beste docent,

Ik heb Nederlandse tv gekeken. Een man heeft over het weer gepraat.
Daarna ................




Slide 17 - Tekstslide

Herhaling voegwoorden

Slide 18 - Tekstslide

Wat betekent: maar?
A
een keuze
B
een logisch gevolg
C
een reden
D
een tegenstelling

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent: want?
A
een keuze
B
een logisch gevolg
C
een reden
D
een tegenstelling

Slide 20 - Quizvraag

Wat betekent: of?
A
een keuze
B
een logisch gevolg
C
een reden
D
een tegenstelling

Slide 21 - Quizvraag

Wat betekent: dus?
A
een keuze
B
een logisch gevolg
C
een reden
D
een tegenstelling

Slide 22 - Quizvraag

Maak een zin met een voegwoord.
Gebruik: of

Slide 23 - Open vraag

Maak een zin met een voegwoord.
Gebruik: want

Slide 24 - Open vraag

Maak een zin met een voegwoord.
Gebruik: maar

Slide 25 - Open vraag

Maak een zin met een voegwoord.
Gebruik: dus

Slide 26 - Open vraag

Ik begrijp de les.
😒🙁😐🙂😃

Slide 27 - Poll