Zinnen thema 2

Hoe ziet hij er uit?
  • Hij is
  • Il est
  • hoe?
  • comment?
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoe ziet hij er uit?
  • Hij is
  • Il est
  • hoe?
  • comment?

Slide 1 - Tekstslide

Hoe ziet hij er uit?

Il est comment?

Slide 2 - Tekstslide

Hoe ziet hij er uit?

Slide 3 - Open vraag

Mijn broer heeft blauwe ogen.
  • Mijn broer
  • Mon frère
  • heeft
  • a
  • blauwe ogen.
  • les (!) yeux bleus.

Slide 4 - Tekstslide

Mijn broer heeft blauwe ogen.

Mon frère a les yeux bleus.

Slide 5 - Tekstslide

Mijn broer heeft blauwe ogen.

Slide 6 - Open vraag

Mijn zus heeft blond haar.
  • Mijn zus
  • Ma soeur
  • heeft
  • a
  • blond haar.
  • les (!) cheveux blonds.

Slide 7 - Tekstslide

Mijn zus heeft blond haar.

Ma soeur a les cheveux blonds.

Slide 8 - Tekstslide

Mijn zus heeft blond haar.

Slide 9 - Open vraag

 Hij is aardig en schattig.
  • Hij is
  • Il est
  • aardig
  • sympa
  • en schattig.
  • et mignon.

Slide 10 - Tekstslide

 Hij is aardig en schattig.

Il est sympa et mignon.

Slide 11 - Tekstslide

Hij is aardig en schattig.

Slide 12 - Open vraag

Zij is cool en intelligent.
  • Zij is
  • Elle est 
  • cool
  • cool
  • en intelligent.
  • et intelligente.

Slide 13 - Tekstslide

Zij is cool en intelligent.

Elle est cool et intelligente.

Slide 14 - Tekstslide

Zij is cool en intelligent.

Slide 15 - Open vraag

Hij is getrouwd gescheiden.
  • Hij is
  • Il est
  • getrouwd
  • marié
  • gescheiden.
  • divorcé.

Slide 16 - Tekstslide

Hij is getrouwd gescheiden.

Il est marié divorcé.

Slide 17 - Tekstslide

Hij is getrouwd gescheiden.

Slide 18 - Open vraag

Wie is dat?

  • Het is
  • C'est
  • wie?
  • qui?

Slide 19 - Tekstslide

Wie is dat?

C'est qui?

Slide 20 - Tekstslide

Wie is dat?

Slide 21 - Open vraag

Ik stel me voor.


Je me présente.

Slide 22 - Tekstslide

Ik stel me voor.

Slide 23 - Open vraag

Ik stel mijn broer voor.
  • Ik stel voor
  • Je présente
  • mijn broer.
  • mon frère. 

Slide 24 - Tekstslide

Ik stel mijn broer voor.


Je présente mon frère.

Slide 25 - Tekstslide

Ik stel mijn broer voor.

Slide 26 - Open vraag

Ik heb blond haar zoals mijn vader.
  • Ik heb
  • J'ai
  • blond haar
  • les cheveux blonds
  • zoals
  • comme
  • mijn vader.
  • mon père.

Slide 27 - Tekstslide

Ik heb blond haar zoals mijn vader.


J'ai les cheveux blonds comme mon père.

Slide 28 - Tekstslide

Ik heb blond haar zoals mijn vader.

Slide 29 - Open vraag