Ruilen over de tijd hst. 2

Ruilen over de tijd

20/1/26

1 / 34
volgende
Slide 1: Slide
newEditorEconomieWOStudiejaar 5

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Ruilen over de tijd

20/1/26

Hoofdstuk 2 | De overheid ruilt over tijd

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

2.2 Sociale zekerheid

2.3 Samenwerken aan een toekomst


Net als gezinshuishoudens en bedrijven, heeft ook de overheid inkomsten en uitgaven.


De collectieve sector maakt hiervan jaarlijks een Rijksbegroting. De collectieve sector bestaat uit de overheid en de zelfstandige bestuursorganen.


Jaarlijks tijdens Prinsjesdag informeert de overheid haar burgers hierover met behulp van de Miljoenennota.



Collectieve sector

De overheid en de zelfstandige bestuursorganen (zbo’s).

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Miljoenennota

Toelichting op de Rijksbegroting.

Rijksbegroting

Overzicht van de verwachte inkomsten en uitgaven van de overheid.

Zelfstandige bestuursorganen

Instellingen die een overheidstaak uitvoeren en bekostigd worden door de overheid, maar wel onafhankelijk kunnen opereren.

Inkomsten van de overheid

Directe belastingen

Belastingen over winst, inkomen en vermogen.

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Indirecte belastingen

Kostprijsverhogende belastingen (bv. btw en accijns).

Inkomsten

Sociale premies

Premies waarmee de sociale verzekeringen (uitkeringen) worden betaald.

Uitgaven van de overheid

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Overheidsbestedingen

Uitgaven van de overheid als gevolg van het gebruik van productiefactoren.

Overheidsinvesteringen

Duurzame uitgaven van de overheid in bijvoorbeeld infrastructuur.

Overheidsconsumptie

Uitgaven van de overheid aan ambtenarensalarissen en verbruiksgoederen.

Overheidsoverdrachten

Uitgaven van de overheid zonder dat hier direct een prestatie tegenover staat.

Te maken opdrachten

Te maken opdrachten 1,3,4,6,7,8

De inkomsten en uitgaven zijn niet altijd gelijk aan elkaar. Dit creëert een begrotingssaldo:


Inkomsten > uitgaven = begrotingsoverschot

Inkomsten < uitgaven = begrotingstekort

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Begrotingssaldo

Het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven van de overheid.

Staatsschuld

Het totaal van de schulden van de Rijksoverheid.

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Begrotings-

overschot

Extra uitgaven mogelijk

Daling rentelasten van de staatsschuld

Extra aflossen op staatsschuld

of

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Begrotings-

tekort

Uitgaven beperken (bezuinigen)

Extra inkomsten zoeken

(belasting verhogen)

of

Stijging staatsschuld

of

Stijging rentelasten van de staatsschuld

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Berekenen staatsschuld:

Staatsschuld begin jaar


Begrotingssaldo +/-


Aflossing op de staatsschuld -


Staatsschuld einde jaar =

Financieringssaldo

Het saldo van het begrotingssaldo + aflossingen.

Financieringstekort

Toename van de staatsschuld.

Financieringsoverschot

Afname van de staatsschuld.

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Voorbeeld staatsschuldberekening:

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Staatsschuld

+

Schuld lagere overheden

Publieke schuld

Een schuld van de overheid.

Private schuld

Een schuld van een bedrijf of gezin.

Schuld bedrijf

+

Schuld gezinshuishouden

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

In economisch mindere tijden stijgt vaak de staatsschuld.


Toch zal de overheid niet snel failliet gaan: die mag meestal extra geld lenen (d.m.v. uitgifte staatsobligaties).


Ook kan de overheid belastingen heffen. Het begrotingstekort wordt dan ook wel gezien als een vorm van uitgestelde belastingheffing.


Staatsobligatie

Een in stukken opgedeelde lening die wordt uitgegeven door de Rijksoverheid.

Uitgestelde belastingheffing

De overheid moet een tekort vroeg of laat aanvullen door het heffen van belastingen.

2.1 Inkomsten en uitgaven van de overheid

Stabiliteits- en groeipact

Verdrag met daarin eisen waaraan eurolanden moeten voldoen om de stabiliteit van de euro te garanderen.

De EU houdt een oogje in het zeil bij Europese overheden met een stabiliteits- en groeipact:


  • Begrotingstekort mag niet hoger zijn dan 3% van het bbp.

  • Staatsschuld mag niet hoger zijn dan 60% van het bbp (= staatsschuldquote).



De overheid maakt een begrotingsbeleid dat erop gericht is om binnen deze kaders te blijven.


Te maken opdrachten

9,11,12,14,16,17

Sociale verzekeringen

Verplichte verzekeringen die voor iedereen gelden.

2.2 Sociale zekerheid

Heb je (tijdelijk) onvoldoende inkomen, dan helpt de overheid je met behulp van het sociale zekerheidsstelsel.


Sociale verzekeringen dekken het verlies van inkomen bij:

  • Ziekte (kort- en langdurig)

  • Werkloosheid

  • Arbeidsongeschiktheid

  • Ouderdom

Sociale voorzieningen

Voorzieningen in de vorm van uitkeringen bedoeld voor mensen die geen uitkering krijgen via een sociale verzekering.

2.2 Sociale zekerheid

Naast sociale verzekeringen zijn er ook sociale voorzieningen.


Volksverzekering

Verzekering die voor iedereen geldt die in Nederland woont of werkt.

2.2 Sociale zekerheid

Sociale verzekeringen zijn onder te verdelen in volks- en werknemersverzekeringen.


2.2 Sociale zekerheid

Sociale verzekeringen zijn onder te verdelen in volks- en werknemersverzekeringen.


Werknemers-

verzekering

Verzekering voor werknemers en uitkeringsgerechtigden, betaald door werkgevers en werknemers.

2.2 Sociale zekerheid

Het sociale zekerheidsstelstel is gebaseerd op het solidariteitsbeginsel.



Voorzieningen: betaald uit belastingopbrengsten

Verzekeringen: betaald uit sociale premies


Omslagstelsel

Een systeem waarbij de ontvangen premies van een jaar gebruikt worden voor uitkeringen in dat jaar.

De uitkering gebeurt op basis van:

  • Omslagstelsel

Solidariteitsbeginsel

De risico’s worden door alle deelnemers gedeeld.

2.2 Sociale zekerheid

De premiedruk kun je als volgt berekenen:



Premiedruk

De sociale premies in procenten van het totale binnenlands inkomen.

Opgave 20 bladzijde 65

De Ziektewet is een werknemersverzekering. Die regelt dat werkenden bij ziekte uitbetaald krijgen. Werkgevers kunnen deze doorbetaling van het loon zelf betalen of via een verzekering laten lopen.


Waarom is er bij de Ziektewet, net als bij andere sociale verzekeringen, sprake van solidariteit?

AOW

Deze wet geeft iedere Nederlander vanaf 67 jaar (dynamische leeftijdsgrens) recht op een ouderdoms-pensioen.

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Hoe is je pensioen geregeld?

AOW (basispensioen)

  • Afhankelijk van aantal belastingplichtige jaren in Nederland

  • Afhankelijk van gezinssamenstelling

  • Onafhankelijk van inkomen of vermogen

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Hoe is je pensioen geregeld?

AOW (basispensioen)

  • Solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden

  • Intergenerationele solidariteit tussen jongeren en ouderen

Intergenerationele solidariteit

Verschillende generaties binnen een samenleving zorgen voor elkaar.

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Hoe is je pensioen geregeld?

AOW (basispensioen)

Bedrijfspensioen

  • Collectief geregeld

  • Op basis van het kapitaaldekkingsstelsel

Kapitaaldekkings-

stelsel

Een systeem waarbij degene die premie betaalt een kapitaal opbouwt dat op een later tijdstip wordt uitgekeerd.

Bedrijfspensioen

Aanvullend pensioen dat je via de werkgever opbouwt.

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Hoe is je pensioen geregeld?

AOW (basispensioen)

Bedrijfspensioen

  • Collectief pensioen

  • Op basis van het kapitaaldekkingsstelsel

Collectief pensioen

Pensioen voor een groep mensen binnen het bedrijf.

Privaat pensioen

Een door een persoon zelf gekochte pensioenverzekering.

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Hoe is je pensioen geregeld?

AOW (basispensioen)

Bedrijfspensioen

Privaatpensioen

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Hoe is je pensioen geregeld?

AOW (basispensioen)

Bedrijfspensioen

Privaatpensioen

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Is het gespaarde pensioen voldoende?

Pensioenfondsen kennen twee soorten pensioenen:


  • Waardevast

  • Welvaartsvast

Waardevast

Een uitkering die procentueel omhoog gaat met de gemiddelde inflatie.

Welvaartsvast

Een uitkering die procentueel omhoog gaat met de gemiddelde loonstijging.

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Dekkingsgraad

Mate waarin een pensioenfonds haar toekomstige uitkeringen kan financieren met de huidige waarde van het vermogen.

Rekenrente

Rentepercentage dat pensioenfondsen moeten gebruiken als voorspeller van de jaarlijkse vermogensgroei.

Pensioenfondsen bepalen aan de hand van de dekkingsgraad en rekenrente of ze in staat zullen zijn om aan de huidige en toekomstige pensioenverplichtingen te voldoen.

De intergenerationele solidariteit staat onder druk:






Vergrijzing

  • Relatief meer ouderen

  • Hogere leeftijdsverwachting

2.3 Samenwerken aan een toekomst

Ingevoerde maatregel om stijging van de premiedruk te bestrijden: verhoging AOW- leeftijd naar 67 jaar (en verder…)


Huiswerk

30, 31, 32, 33, 34


36,37, 38, 41

Huiswerk

22, 23,24, 27