Herhaling hoofdstuk 2
Geldzaken
Herhaling hoofdstuk 2
Geldzaken
Dinsdag 4 november (volgende week) Toets hoofdstuk 2
Paragraaf 1 Inkomen uit arbeid
Learning objective
Hoe ziet de les eruit:
Wat weten jullie al?
Doelen
Uitleg
Opdrachten maken
Waar denk je aan bij:
Inkomen uit arbeid
Doelen:
Aan het einde van de les kan je voorbeelden benoemen van inkomsten uit arbeid.
Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe verschillen tussen lonen kunnen ontstaan.
Aan het einde van de les kan je uitleggen wat minimumloon is.
Inkomsten uit arbied:
Loon of salaris
Extra beloningen (vakantiegeld)
Toeslagen voor onregelmatige diensten en bijzondere prestaties
Loon in natura
Winst uit arbeid (eigen bedrijf)
Verschillend tussen lonen:
De functie in het bedrijf
Het aantal jaren werkervaring
Het aantal werkuren per week
Minimumloon:
Minimumjeugdloon
Minimumloon
Test jezelf paragraaf 1 maken voor morgen
Aflsuiting:
Aan het einde van de les kan je voorbeelden benoemen van inkomsten uit arbeid.
Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe verschillen tussen lonen kunnen ontstaan.
Aan het einde van de les kan je uitleggen wat minimumloon is.
Paragraaf 2 Inkomen uit bezit
Hoe ziet de les eruit:
Wat weten jullie al?
Doelen
Uitleg
Opdrachten maken
Waar denk je aan bij:
Inkomen uit bezit
Doelen:
Aan het einde van de les kan je voorbeelden benoemen van inkomsten uit bezit.
Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe verschillen tussen inkomsten uit bezit kunnen ontstaan.
Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe je inkomsten uit aandelen kan verdienen.
Inkomsten uit bezit:
Rente (uitlenen van geld)
Huur (beschikbaar stellen van bezit)
Pacht (beschikbaar stellen van grond)
Winst (bezit van een bedrijf)
Dividend (bezit van aandelen)
Verschillen tussen inkomsten uit bezit:
De waarde van de bezittingen
De hoogte van het rentepercentage
De hoogte van de winstuitkering (Dividend)
Beleggingen in aandelen:
Aandeel = een bewijs dat iemand mede-eigenaar is van een onderneming.
Dividend = een winstuitkering van een bedrijf aan de aandeelhouders.
Koers = de prijs van een aandeel
Inkomsten uit aandelen:
Dividend
Bij verkoop koerswinst of koesverlies
Test jezelf maken paragraaf 2 voor morgen
Aflsuiting:
Aan het einde van de les kan je voorbeelden benoemen van inkomsten uit bezit.
Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe verschillen tussen inkomsten uit bezit kunnen ontstaan.
Aan het einde van de les kan je uitleggen hoe je inkomsten uit aandelen kan verdienen.
Paragraaf 3 Aanvullende inkomsten
Hoe ziet de les eruit:
Wat weten jullie er al
Doelen
Uitleg
Opdrachten maken
Waar denk je aan bij:
Aanvullende inkomsten
(wat is het & voorbeelden)
Doelen:
Aan het einde van de les kan je voorbeelden geven van aanvullende inkomsten.
Aan het einde van de les kan je uitleggen waarvan de aanvullende inkomsten afhankelijk zijn.
Studiefinanciering:
Een uitkering voor scholieren en studenten vanaf 18 jaar.
Een studiefinanciering bestaat uit:
Basisbeurs
Aanvullende beurs (inkomen van ouders)
Lening
Huurtoeslag:
Een bijdrage van de overheid in de huurkosten.
Afhankelijk van:
Hoogte van de huur
Hoogte van je inkomen
Kinderbijslag:
Een bijdrage van de overheid in de kosten voor de opvoeding van kinderen tot 18 jaar.
Hoogte is afhankelijk van:
De leeftijd van het kind
Het aantal kinderen
Zorgtoeslag:
Een bijdrage van de overheid om de premie van de zorgverzekering tegen ziektekosten te betalen.
De zorgverzekering is verplicht
Mensen met een laag inkomen krijgen zorgtoeslag
Bijstand:
Een bijdrage van de overheid voor als je niet genoeg geld hebt om van te leven.
Inkomen beneden het sociaal minimum
Vult het eigen inkomen aan tot het sociaal minimum
Sociaal minimum: het inkomen dat volgens de overheid ten minste nodig is om van te leven
Test jezelf paragraaf 3 maken voor volgende week
Aflsuiting:
Aan het einde van de les kan je voorbeelden geven van aanvullende inkomsten.
Aan het einde van de les kan je uitleggen waarvan de aanvullende inkomsten afhankelijk zijn.
Paragraaf 4 Geld telt
Paragraaf 5 Bankieren
Hoe ziet de les eruit:
Uitleg
Opdrachten maken
Paragraaf 4 geld telt
Functies van geld:
Ruilmiddel: het gebruiken van geld voor aankopen en verkopen
Rekenmiddel: het gebruiken van geld voor de weergave van prijzen
Spaarmiddel: de mogelijkheid die geld biedt om aankopen uit te stellen
Betaalmogelijkheden:
Contant geld
Bankpas
Creditcard
Smartphone
Geld word van je bankrekening gehaald:
Betalen via een betaalautomaat
Opnemen van geld bij een geldautomaat
Betalen met je smartphone
Paragraaf 5 Bankieren
Wat kan je doen met een bankrekening en bankpas:
Betalen
Je saldo opvragen
Pinnen
Internetbankieren
Negatief saldo op je bankrekening:
Rood staan: een negatief saldo op je bankrekening
Je moet rente betalen
Geld overmaken:
Internetbankieren
voordelen internetbankieren:
Je kan op elk moment je saldo checken
Je kan je afschrijvingen en bijschrijvingen bijhouden
Je kan de datum van elke betalen opvragen
Een machtiging (automatische incasso)
Test jezelf paragraaf 4 en 5 maken voor morgen