2. Wk 5.1. Spelling: Voor- en achtervoegsels

Nederlands: spelling      
Voor- en achtervoegsels                 
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolPraktijkonderwijsmavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 15 min

Introductie

Spellingscursus Methode: SCORE

Onderdelen in deze les

Nederlands: spelling      
Voor- en achtervoegsels                 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelen
  • Je kent verschillende voorvoegsels.
  • Je kent verschillende achtervoegsels.
  • Je weet dat je voor- en achtervoegsels
    altijd op dezelfde manier schrijft. 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Voorvoegsels
  • Een voorvoegsel is een woorddeel dat je vóór een woord plakt om de betekenis te veranderen. 
  • Een voorvoegsel kun je niet los gebruiken.

Bijvoorbeeld: 
ge-be-her-, on(t)-, ver-, wan-, en aarts-

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden 
gezang
beantwoorden
herzien
ontcijferen
vergeven
wangedrag
aartsrivaal 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het voorvoegsel in het woord:
herexamen

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het voorvoegsel in het woord:
verbieden

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak twee woorden met:

on-, wan-
hoop, eerlijk

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bedenk zelf een woord
met een voorvoegsel

Slide 10 - Woordweb

Bijvoorbeeld:
bekijken verbranden
ontploffen gezaag
Achtervoegsels
  • Achtervoegsels zijn woorddelen die je achter een woord plakt om de betekenis te veranderen. 
  • Ook achtervoegsels komen niet afzondelijk voor.

Bijvoorbeeld:
-heid, -lijk, -ing, -er, -aar, -baar, -isch

Slide 11 - Tekstslide

achtervoegsels zet je altijd achter een woord, zoals het woord zelf al aangeeft: achtervoegsels. Het gaat dus om het laatste deel van een woord.

Voorbeelden 
blijheid
duidelijk
afdeling
aardig
aansteker
eigenaar
aaibaar
fantastisch

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn allemaal achtervoegsels?
A
-heid, -erd, -isch, -rik
B
ont-, be-, ge-, ver-
C
-baar, ver-, on-, -lijk
D
-aard, -baard, -aar, -oor

Slide 13 - Quizvraag

B: dit zijn allemaal voorvoegsels
C: dit zijn voor- en achtervoegsels
D: -baard en -oor zijn geen voor- of achtervoegsels. Het zijn wèl woorden waarmee je samenstelling kunt maken Bijvoorbeeld: Blauwbaard, hangoor.
Welke woorden horen bij elkaar? Maak koppeltjes.
zaak, vriendschap, aaien, vrienden, zakelijk, aaibaar

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bedenk nu zelf
een koppel

Slide 15 - Woordweb

Bijvoorbeeld:
verliefd verliefdheid
bereiken bereikbaar
lichaam lichamelijk
armoede armoedig
Tip!
Je schrijf voor- en achtervoegsels altijd op dezelfde manier. 

Je kunt dus onthouden: 
-lijk met een lange ij
-heid met een korte ei

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Momentje  nadenken

Slide 17 - Tekstslide

Wat heb je geleerd?
Welke vragen heb je nog?

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies