uitwerkingen

Opdrachten weet je het nog?            bladzijde 159

1) als je verkoopprijs stijgt wordt je winst hoger
    als je inkoopprijs stijgt wordt je winst lager
    als je meer productiek. hebt wordt je winst lager
2) ja een tandarts produceert: hij verleent diensten
   niet iedere tandarts is een ondernemer, hij kan ook in
   dienst zijn bij de praktijk van een ander.
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Opdrachten weet je het nog?            bladzijde 159

1) als je verkoopprijs stijgt wordt je winst hoger
    als je inkoopprijs stijgt wordt je winst lager
    als je meer productiek. hebt wordt je winst lager
2) ja een tandarts produceert: hij verleent diensten
   niet iedere tandarts is een ondernemer, hij kan ook in
   dienst zijn bij de praktijk van een ander.

Slide 1 - Tekstslide

3) oud papier inzamelen     
   inktresten verwijderen                 
   lijntjes drukken
   papier op maat snijden
   papier persen
   vermalen tot papierpulp
   bundelen tot een schrift
4) Veel vraag naar schoolschriften, toch geen extra
    hoge prijzen: het aanbod is ook hoog.
   Antwoord A
(1)
(3)
(6)
(5)        OF
(4)
(2)
(7)
(1)
(2)
(3)
(4)
(5)
(6)
(7)

Slide 2 - Tekstslide

5) Als de inkoopprijs met 5% stijgt en je de
   verkoopprijs ook laat stijgen met 5% is het risico
   aanwezig dat mensen het te duur gaan vinden, en
   dus niet meer gaan kopen.
6) Voordelen consument van techn. ontwikkeling:
   *producten worden goedkoper
   *de kwaliteit van producten wordt beter
   *er komen nieuwe producten 

Slide 3 - Tekstslide

7) kostprijs per hoesje: 75.000 / 50.000 = € 1,50
   Als het bedrijf 50.000 hoesjes verkoopt is de winst
   (2,10 - 1,50) x 50.000 = € 30.000,-
8) Om de investering terug te verdienen moet het 
   bedrijf 45.000 / 0,12 = 375.000 hoesjes verkopen.
9) investeren          verlies              inkoopprijs
   productiefasen     aanbod             produceren
   kostprijs              vraag               concurrent
   winst                   ondernemer      technologische

Slide 4 - Tekstslide

Paragraaf 6.1                              Produceren maar!

1) Ja, je levert een dienst in jullie huishouden
   Nee, je verdient er geen geld mee
2) Arbeid
   Kapitaal                             niet op de foto zichtbaar
   Ondernemerschap                     Natuur
3) Als de productiefactoren niet goed worden ingezet:
   kosten te hoog bij teveel of te duur personeel,
   kan de investering wel terugverdient worden?

Slide 5 - Tekstslide

4) arbeid  ->                       natuur                 <-
   loon      <-                       pacht                   ->
   kapitaal ->
   rente    <-                       ondernemerschap <-
   kapitaal ->                      winst                   ->
   huur     <-
5) toegevoegde waarde = loon+pacht+rente en
   huur+winst
   School produceert hoofdzakelijk diensten
   Arbeid komt het meeste voor (salarissen personeel)

Slide 6 - Tekstslide

6) toegevoegde waarde scooterfabriek: 785 - 115
   = € 670,-
   Consument hoort niet bij de bedrijfskolom omdat er 
   niet geproduceert wordt, er wordt geen waarde
   toegevoegd.
7) De bedrijfskolom voor brood bestaat bijvoorbeeld
   uit een graanboer, groothandel en bakkerij. Het
   verschil tussen de inkoop- en verkoopwaarde bij
   een bedrijf noem je ook wel de toegevoegde
   waarde.

Slide 7 - Tekstslide

8) Autofabriek
   Containeroverlag in havens
   Middelbare school
   Schildersbedrijf
   Verzorgingstehuis
9) Automatisering maakt de kostprijs uiteindelijk lager:
   de investeringskosten verdien je terug door lagere
   personeelskosten. De kosten van de investering
   verdeel je over meerdere jaren.
kapitaalintensief
kapitaalintensief
arbeidsintensief
arbeidsintensief
arbeidsintensief

Slide 8 - Tekstslide

10) Waarde bestelbus na 1 jaar: aanschafwaarde min
    afschrijving. De afschrijving is per jaar € 2.860,-
    Dus 17.800 - 2.860 = € 14.940,-
    De waarde na 3 jaar (er is dan drie keer 2.860
    afgeschreven) 17.800 - 3 x 2.860 = 17.800 - 8.580
    = € 9.220,-
11) Redenen aanschaf nieuwe bestelbus:
    *er zijn nu betere of zuinigere bestelwagens
    *als er wordt uitgebreid en er iemand in dienst komt
     is er nog een bestelbus nodig

Slide 9 - Tekstslide

12) Waarde computer na 5 jaar is 80% minder, na 1
    jaar is dit 80 / 5 = 16% minder.
    De waarde na 1 jaar is 45.000 - 45000/100 x 16 = 
    45.000 - 7.200 = € 37.800,-
13) Jaarlijkse afschrijvingskosten = 
    275.000 - 80.000 / 6 = € 32.500,- 
    Als de gebruiksduur 8 jaar wordt is de afschrijving
    per jaar 275.000 - 20.000 / 8 = € 31.875,-
   

Slide 10 - Tekstslide

uitwerkingen
Paragraaf 6.2                      Het gaat om de winst!

1) eigen antwoord, je kunt er vanuit gaan dat de winkelier er al gauw de helft of meer verdient.
2) Brutowinstopslag is 70%. Ze weet vantevoren niet hoeveel ze eraan overhoudt:
- ze weet niet precies hoeveel de bedrijfskosten zijn
- ze weet niet hoeveel armbandjes ze verkoopt

Slide 11 - Tekstslide

uitwerkingen
3) 






                                                               Brutowinstopslag
4)  
inkoopprijs
brutowinstopslag
verkoopprijs
a
€ 24,60
  85%
€ 45,51
b
€ 9,50
120%
€ 20,90
c
€ 2,10
250%
   7,35
inkoopprijs
verkoopprijs
in €
in % van de inkoopprijs
€   8,-
€ 14,00
€   6,00
  75%
€ 45,-
€ 112,50
€ 67,50
150%

Slide 12 - Tekstslide

uitwerkingen
5) a 1,21x32,95 of 32,95/100 x 121 = € 39,87
    b 1,09x16,50 of 16/50/100 x 109 = € 17,99 
    c 1,21x129,70 of 129,70/100 x 121= € 156,94
6) verkoopprijs is 1,85x9 of 9/100 x 185 = € 16,65
consumentenprijs is 1,21x16,61 of 16,65/100 x 121 = € 20,15
7) bovenste stukje is blauw, daaronder twee stukken groen, het onderste stuk is rood.
De verkoopprijs is 8,60+5+7,90 = € 21,50
De consumentenprijs is 21,50+4,52 = € 26,02
Als het t-shirt met 50% korting wordt verkocht krijgt de klant € 10,75 korting. Dit is meer dan de winst van € 7,90. De winkelier maakt dus verlies.
8) a 29,95/121 x 21 = € 5,20
    b 1,98/109 x 9 = € 0,16
    c 98/121 x 21 = € 17,01

Slide 13 - Tekstslide

uitwerkingen
9) afzet is het aantal stuks dat verkocht is, hier is dat 900 t-shirts
Als de verkoopprijs stijgt is er een kans dat je afzet daalt (het product is te duur geworden) dan zal de omzet dus kunnen dalen.
10) a omzet = verkoopprijs x afzet 9,50x1500 = € 1.425,-
      b afzet = omzet / verkoopprijs = 39000/1,95 = 20.000 stuks
      c verkoopprijs = omzet / afzet = 5575,50/450 = € 12,35
11) omzet = 2750x400 = € 1.100.000,-
brutowinst = 110.00000-650000 = € 450.000,-
nettowinst = 450000-385000 = € 65.000,-

Slide 14 - Tekstslide

uitwerkingen
Paragraaf 6.3                                       Op de markt

1) eigen antwoord, op een markt is er dicht bij elkaar aanbod van veel producten. Je kunt de producten van de verschillende kramen gemakkelijk met elkaar vergelijken.
Voor veel mensen is ook de gezellige drukte op de markt aantrekkelijk.

Slide 15 - Tekstslide

uitwerkingen
2) Concretemarkt: bikeschop
Abstracte markt: de fietsenmarkt. Die kun je onderverdelen naar:
- markt voor e-bikes
- markt voor stadsfietsen (gewone fietsen)
Een gewone fiets is eenvoudiger te repareren voor de fietsenmaker
3) Het aanbod van producten komt van producenten.
De vraag naar producten komt van consumenten.
4) Bij een prijs van € 1,60 is de vraag 40.000 kg en het aanbod 60.000 kg
Bij een prijs van € 1,90 is de vraag 10.000 kg en het aanbod 40.000 kg
De vraag van consumenten neemt af als de prijs stijgt: een deel van de consumenten kan of wil de hogere prijs niet betalen.
Het aanod van producten neemt toe als de prijs stijgt: producenten kunnen bij een hogere prijs meer aan het product verdienen en gaan er daarom meer van maken.

Slide 16 - Tekstslide

uitwerkingen
5) 




6) Na de daling van het aanbod is de nieuwe evenwichtsprijs € 1,60 en de nieuwe evenwichtshoeveelheid 40.000 kg.
De totale omzet was 50000x1,50 = € 75.000,- en is nu 40000x1,60 = € 64.000,- De totale omzet is dus gedaald.
7) Tekening. Evenwichtsprijs is € 500,- en de evenwichtshoeveelheid 40
8) Tekening. Nieuwe evenwichtsprijs is € 525,- en de evenwichtshoeveelheid 50.
Oude omzet is 500x40 = € 20.000,-
Nieuwe omzet is 525x50= € 26.250,- dus een stijging van € 6.250,-
Prijs
Vraag
Aanbod
€ 1,20
80.000 kg
20.000 kg
€ 1,50
50.000 kg
50.000 kg
€ 1,80
20.000 kg
80.000 kg

Slide 17 - Tekstslide

uitwerkingen
9) Grafiek gaat over de afzet.
Stadsfiets 43% = 399.040 fietsen
                 1% =     9.280 fietsen (399040/43)
Totaal     100% = 928.000 fietsen
Aantal verkochte elektrische fietsen is 29%  399040/43 x29 of 928000/100 x29
= 269.120 fietsen.
Verwachting is dat het marktaandeel van elektische fietsen nog meer zal stijgen. Die worden steeds meer verkocht.

Slide 18 - Tekstslide

uitwerkingen
Paragraaf 6.4                Meer of minder productie?

1) Meer en meer produceren, positief: het levert meer banen op, meer inkomen, vaak goedkoper om te maken
negatief: grotere belasting voor het milieu (kost meer energie en grondstoffen, soms ook meer vervuiling)

Slide 19 - Tekstslide

uitwerkingen
2) Vaste kosten: afschrijving robot en loon directeur
Variabele kosten: buizen fietsframe en transport naar winkels
3) vaste kosten € 7.200.000,-
variabele kosten 120000x240 = € 28.800.000,-
Kosprijs per fiets = 7200000+28800000/120000 = € 300,-
Als de productiestijgt naar 150.000 worden de variabele kosten 150000x240 =
€ 36.000.000,- De kostprijs per fiets wordt dan 7200000+36000000/150000 = 
€ 288,-
De variabele kosten per fiets zijn hetzelfde gebleven
de vaste kosten per fiets zijn gedaald
4) Als de leidsters meer gaan werken neemt de productiecapaciteit toe; het dagverblijf kan meer kinderen opvangen.
Productiecapaciteit kan niet alleen vergroot worden door meer personeel maar er moet ook genoeg ruimte zijn, genoeg speelgoed, voldoende wasgelegenheid, toiletten en bedden zijn.  

Slide 20 - Tekstslide

uitwerkingen
5) Benutte productiecapaciteit is 300/375 = 80%
Dit is nadelig voor het bedrijfsresultaat, minder klanten = minder omzet. De variabele kosten per product blijven gelijk, maar de vaste kosten (huur, lonen en verzekeringen) gaan gewoon door. Dit betekent dus minder winst.
6) waar je voor kiest is je eigen keuze, vast bedrag dan weet je waar je aan toe bent, werk je hard (en snel) dan kies je wellicht voor bedrag per kistje.
Nadeel prestatieloon voor de boer: de kratjes moeten vol, misschien komen er ook rotte aardbeien tussen of niet rijpe.
Als de baas en het andere personeel prettig met elkaar omgaan, is het werk leuker en doe je algauw meer je best.
7) Nieuwe machines zorgen voor meer productie bij dezelfde hoeveelheid mensen: ge gemiddelde productie van de werknemers gaat omhoog. Of zijn er minder mensen nodig bij dezelfde productie (ook dan stijgt de productie per persoon).
De kostprijs per brood daalt, de afschrijvingskosten voor de nieuwe machine zullen lager zijn dan de personeelskosten.

Slide 21 - Tekstslide

uitwerkingen
8) De arbeidsproductiviteit per uur is 1.200 t-shirts / 8 = 150 t-shirts
Na het onslag: per dag 19.200/12 = 1.600 t-shirts per persoon, dat is per uur 1600/8 = 200 t-shirts
De kostprijs kan dalen als de arbeidsproductiviteit toeneemt: als de productie per persoon hoger is, zijn de personeelskosten per product lager.
9) 40 mensen werken 40 uur = 1.600 uur en 40 mensen werken 0,6x40 uur = 960 uur. Bij elkaar is dit 2.560 uur.
Arbeidsproductiviteit per uur is 60000000/2650 = 23.437,5 liter per persoon per uur.
Door de verandering zal de arbeidsproductiviteit per week gelijk blijven en de arbeidsproductiviteit per uur toenemen.

Slide 22 - Tekstslide

uitwerkingen
10) Zonnepanelen horen bij MVO: voor het opwekken van energie zijn dan geen fossiele brandstoffen meer nodig.
Het is ook goed voor de portemonnee: zelf opwekken is goedkoper dan kopen.
Andere mogelijkheid: minder verpakkingsmateriaal gebruiken, transport met schone vrachtwagens, afval recyclen.
Een groothandel kan voor maatschappelijke opbrengsten zorgen: ze bevoorraden winkels, het levert werkgelegenheid op.
11) Voordeel fabrikant: goedkopere prijs van onderdelen
Voordeel consument: goedkopere prijs van de fiets
Sprake van MVO: nee, de lage kosten gaan ten kosten van het wlkzijn van werknemers (kinderen) in andere landen

Slide 23 - Tekstslide