TaalCompleet 4.1.

TaalCompleet 4.1.

Eten en drinken

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorTaalMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 35 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

TaalCompleet 4.1.

Eten en drinken

De bakker


Meervoud:


Betekenis:




Voorbeeldzin:



De bakkers

Persoon die voor zijn werk brood, taart en koek bakt.

De bakker begint om 6 uur s'ochtends.

Het brood

Meervoud:


Betekenis:




Voorbeeldzin:



De broden

Eten gemaakt van bloem.

Ik eet elke ochtend een broodje met kaas.

De slager

Meervoud:


Betekenis:




Voorbeeldzin:



De slagers

Iemand die vlees snijdt en verkoopt.

De slager geeft mij een worst.

Het vlees


Betekenis:




Voorbeeldzin:



Eten gemaakt van een dier.

Ik eet één keer per week vlees.

De appel



Meervoud:


Betekenis:




Voorbeeldzin:



De appels

Fruit

Ik koop appels in de winkel.

Wie is dit?

A

De slager

B

De bakker

C

Answer C

D

Answer D

Wat verkoopt de bakker?

A

Brood

B

Vlees

C

Taart

D

Fruit

Boodschappen doen

Betekenis:







Voorbeeldzin:



Mijn moeder doet elke week boodschappen.

Zelfstandig naamwoord (ding):

Boodschappen = Alles wat je koopt in de supermarkt / winkel.


Werkwoord = doen

De boter

Betekenis:




Voorbeeldzin:



Eten gemaakt van melk voor op brood of om mee te bakken.

Ik smeer boter op mijn brood.

Kunnen

Betekenis:




Voorbeeldzin:



Werkwoord: Iets wat lukt.

Ik kan fietsen.

Jij kunt mooi zingen.

Hij kan goed tekenen.

Zij kunnen goed luisteren.


De groente

Meervoud:


Betekenis:




Voorbeeldzin:



Mijn broertje vindt groenten vies.

De groentes

Eten zoals wortels, aardappelen, brocolli.

Kopen

Betekenis:




Voorbeeldzin:



Geld geven om een product (ding) te krijgen.

De meiden kopen nieuwe kleren in de stad.

De markt

Meervoud:



Betekenis:




Voorbeeldzin:



De markten

Plek (vaak buiten) waar mensen veel verschillende spullen verkopen zoals vlees, groenten of brood.

Ik koop mijn groente op de markt.

De supermarkt


Meervoud:


Betekenis:





Voorbeeldzin:



De supermarkten

Plek waar je eten en andere spullen kan kopen die je dagelijks gebruikt. Zoals de Albert Heijn of de Vomar.

Ik ga later naar de supermarkt.

Bij welke supermarkt doe jij boodschappen?

Wat is dit

A

Boter

B

Broten

C

Boder

D

Bomer

Maak een zin met het werkwoord "kunnen''

Maak een zin met het werkwoord ''kopen''