TaalCompleet 4.1.
Eten en drinken
TaalCompleet 4.1.
Eten en drinken
De bakker
Meervoud:
Betekenis:
Voorbeeldzin:
De bakkers
Persoon die voor zijn werk brood, taart en koek bakt.
De bakker begint om 6 uur s'ochtends.
Het brood
Meervoud:
Betekenis:
Voorbeeldzin:
De broden
Eten gemaakt van bloem.
Ik eet elke ochtend een broodje met kaas.
De slager
Meervoud:
Betekenis:
Voorbeeldzin:
De slagers
Iemand die vlees snijdt en verkoopt.
De slager geeft mij een worst.
Het vlees
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Eten gemaakt van een dier.
Ik eet één keer per week vlees.
De appel
Meervoud:
Betekenis:
Voorbeeldzin:
De appels
Fruit
Ik koop appels in de winkel.
Wie is dit?
De slager
De bakker
Answer C
Answer D
Wat verkoopt de bakker?
Brood
Vlees
Taart
Fruit
Boodschappen doen
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Mijn moeder doet elke week boodschappen.
Zelfstandig naamwoord (ding):
Boodschappen = Alles wat je koopt in de supermarkt / winkel.
Werkwoord = doen
De boter
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Eten gemaakt van melk voor op brood of om mee te bakken.
Ik smeer boter op mijn brood.
Kunnen
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Werkwoord: Iets wat lukt.
Ik kan fietsen.
Jij kunt mooi zingen.
Hij kan goed tekenen.
Zij kunnen goed luisteren.
De groente
Meervoud:
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Mijn broertje vindt groenten vies.
De groentes
Eten zoals wortels, aardappelen, brocolli.
Kopen
Betekenis:
Voorbeeldzin:
Geld geven om een product (ding) te krijgen.
De meiden kopen nieuwe kleren in de stad.
De markt
Meervoud:
Betekenis:
Voorbeeldzin:
De markten
Plek (vaak buiten) waar mensen veel verschillende spullen verkopen zoals vlees, groenten of brood.
Ik koop mijn groente op de markt.
De supermarkt
Meervoud:
Betekenis:
Voorbeeldzin:
De supermarkten
Plek waar je eten en andere spullen kan kopen die je dagelijks gebruikt. Zoals de Albert Heijn of de Vomar.
Ik ga later naar de supermarkt.
Bij welke supermarkt doe jij boodschappen?
Wat is dit
Boter
Broten
Boder
Bomer
Maak een zin met het werkwoord "kunnen''
Maak een zin met het werkwoord ''kopen''